Wat gebeurde er met Remi in Sète? / Qu’est ce Qu’est passee avec Remi à Sète?

We zijn dus gebleven in Sète (=Cette). Wat gebeurt er met Remi in dit plaatsje? Lees hieronder zijn verhaal over het trieste afscheid:

Nous sommes restee en Sète (=Cette). Qu’est qu’il ce passe avec Remi la-bas? Lises en dessous l’histoire de son adieu triste (en dessous le texte neerlandais):

Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten. Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de gedachte daaraan voor mij kwellender. Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water had afgelegd, moest ik te voet terugmaken. Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben, geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk een gezelligen kring doorbrengen. Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen? Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze gelukkige dagen bij mij opwelde. Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis staan, als mijn meester die zou verlaten.

Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen.

—Rémi mag niet vertrekken! riep hij.

Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had.

Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen, dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had, als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger wezens op deze wereld waren.

Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester, en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen, bekend te hebben dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet met afkeer van zich hebben gestooten?

—Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg, wat hij verlangde.

—Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan, gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats: wil Rémi bij ons blijven….

—O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi, gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren?

—Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft, afstand doen.

—Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.

Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij inboezemden.

Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

—Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken, dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken met zijn vorige vrijheid.

—Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

—Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn, daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had, trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus De Zwaan niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

—Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig, ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij ons te daar wij niet meer naar Toulouse kunnen terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi’s ouders eens te worden, want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen; het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt; maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de werkelijkheid terug.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!

Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker, zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.

Ik stond als vastgenageld aan den grond.

Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.

Gelukkig vond dit gesprek ’s avonds plaats, weinige uren vóór dat wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en zorgen opsluiten.

Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op De Zwaan doorbracht.

Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?

Ik vond geen uitkomst.

En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook gebeuren mocht.

Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de waarheid ook nooit bekend worden.

En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen, dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw Milligan niet aannemen zou.

Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan mij houden.

Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester, dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te Cette zou komen.

Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op te wachten.

De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.

Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.

De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce klauterden tegen zijn beenen op.

Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:

—Buon di, povero caro!

Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart zich spoedig ontsluit.

Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen, de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.

-Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal wel overgaan.

Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:

—Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?

Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met De Zwaan en hoe ik sedert dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.

Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.

—En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.

—Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.

—Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met
Joli-Coeur en de honden op mij wachten.
Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw, hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist gehoorzaamd te worden.

Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.

—Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen tien minuten zijn wij vertrokken.

Ik was buiten mezelf van schrik.’

-Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u!

Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen mij gezegd.

Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te gehoorzamen.

Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:

—Gij hebt dus gezegd….

—Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten afstand te doen; ga en kom spoedig terug.

Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij, dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.

Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw
Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.
—Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit.

Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem, dat ik gehoorzamen moest.

‘—Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur.

—Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen.

—Rémi mag niet vertrekken.

—Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel in orde brengen.

—O, neen! riep ik uit.

—Wat, niet?

—O, neen, als het u belieft, niet!

—Dat is toch het eenige middel, mijn jongen.

—Och, doe dat niet!

Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten, zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had.

—Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.

Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik voor haar neder en drukte een kus op haar hand.

—Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd.

Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.

—Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend, en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.

—Rémi! Rémi! steunde Arthur.

Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter mij gesloten.

Een oogenblik later stond ik naast mijn meester.

—En nu vooruit! zeide hij.

Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in.

Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij niet door een dwaze vrees had laten beheerschen.

 

‘Enfant trouvé.

Le temps avait passé vite pendant ce voyage, et le moment approchait où mon maître allait sortir de prison.
À mesure que nous nous éloignions de Toulouse, cette pensée m’avait de plus en plus vivement tourmenté.
C’était charmant de s’en aller ainsi en bateau, sans peine comme sans souci ; mais il faudrait revenir et faire à pied la route parcourue sur l’eau.
Ce serait moins charmant : plus de bon lit, plus de crèmes, plus de pâtisseries, plus de soirées autour de la table.
Et ce qui me touchait encore bien plus vivement, il faudrait me séparer d’Arthur et de madame Milligan ; il faudrait renoncer à leur affection, les perdre comme déjà j’avais perdu mère Barberin. N’aimerais-je donc, ne serais-je donc aimé que pour être séparé brutalement de ceux près de qui je voudrais passer ma vie !
Je puis dire que cette préoccupation a été le seul nuage de ces journées radieuses.
Un jour enfin, je me décidai à en faire part à madame Milligan, en lui demandant combien elle croyait qu’il me faudrait de temps pour retourner à Toulouse, car je voulais me trouver devant la porte de la prison, juste au moment où mon maître la franchirait.
En entendant parler de départ, Arthur poussa les hauts cris :
– Je ne veux pas que Rémi parte ! s’écria-t-il.
Je répondis que je n’étais pas libre de ma personne, que j’appartenais à mon maître, à qui mes parents m’avaient loué, et que je devais reprendre mon service auprès de lui le jour où il aurait besoin de moi.
Je parlai de mes parents sans dire qu’ils n’étaient pas réellement mes père et mère, car il aurait fallu avouer en même temps que je n’étais qu’un enfant trouvé ; et c’était là une honte à laquelle je ne pouvais pas me résigner tant j’avais souffert, depuis que je me rendais compte de mes sensations, du mépris que j’avais vu, dans notre village, marquer en toutes occasions aux enfants des hospices : enfant trouvé ! il me semblait que c’était tout ce qu’il y avait de plus abject au monde. Mon maître savait que j’étais un enfant trouvé, mais il était mon maître, tandis que je serais mort bouche close plutôt que d’avouer à madame Milligan et à Arthur, qui m’avaient élevé jusqu’à eux, que j’étais un enfant trouvé ; est-ce qu’ils ne m’auraient pas alors rejeté et repoussé avec dégoût !

‘– Maman, il faut retenir Rémi, continua Arthur qui en dehors du travail, était le maître de sa mère, et faisait d’elle tout ce qu’il voulait.
– Je serais très-heureuse de garder Rémi, répondit madame Milligan, vous l’avez pris en amitié, et moi-même j’ai pour lui beaucoup d’affection ; mais pour le retenir près de nous, il faut la réunion de deux conditions que ni vous ni moi ne pouvons décider. La première c’est que Rémi veuille rester avec nous…
– Ah ! Rémi voudra bien, interrompit Arthur, n’est-ce pas, Rémi, que vous ne voulez pas retourner à Toulouse ?
– La seconde, continua madame Milligan sans attendre ma réponse, c’est que son maître consente à renoncer aux droits qu’il a sur lui.
– Rémi, Rémi d’abord, interrompit Arthur poursuivant son idée.
Assurément Vitalis avait été un bon maître pour moi, et je lui étais reconnaissant de ses soins aussi bien que de ses leçons, mais il n’y avait aucune comparaison à établir entre l’existence que j’avais menée près de lui et celle que m’offrait madame Milligan ; et même il n’y avait aucune comparaison à établir entre l’affection que j’éprouvais pour Vitalis et celle que m’inspiraient madame Milligan et Arthur. Quand je pensais à cela, je me disais que c’était mal à moi de préférer à mon maître ces étrangers que je connaissais depuis si peu de temps ; mais enfin, cela était ainsi ; j’aimais tendrement madame Milligan et Arthur.
– Avant de répondre, continua madame Milligan, Rémi doit réfléchir que ce n’est pas seulement une vie de plaisir et de promenade que je lui propose, mais encore une vie de travail ; il faudra étudier, prendre de la peine, rester penché sur les livres, suivre Arthur dans ses études ; il faut mettre cela en balance avec la liberté des grands chemins.
– Il n’y a pas de balance, dis-je, et je vous assure, madame, que je sens tout le prix de votre proposition.
– Là, voyez-vous, maman ! s’écria Arthur, Rémi veut bien.
Et il se mit à applaudir. Il était évident que je venais de le tirer d’inquiétude, car lorsque sa mère avait parlé de travail et de livres j’avais vu son visage exprimer l’anxiété. Si j’allais refuser ! et cette crainte pour lui qui avait l’horreur des livres, avait dû être des plus vives. Mais je n’avais pas heureusement cette même crainte, et les livres, au lieu de m’épouvanter, m’attiraient. Il est vrai qu’il y avait bien peu de temps qu’on m’en avait mis entre les mains, et ceux qui y avaient passé m’avaient donné plus de plaisir que de peine. Aussi l’offre de madame Milligan me rendait-elle très-heureux, et étais-je parfaitement sincère en la remerciant de sa générosité. Je n’allais donc pas abandonner le Cygne ; je n’allais pas renoncer à cette douce existence, je n’allais pas me séparer d’Arthur et de sa mère.
– Maintenant, poursuivit madame Milligan, il nous reste à obtenir le consentement de son maître ; pour cela je vais lui écrire de venir nous trouver à Cette, car nous ne pouvons pas retourner à Toulouse : je lui enverrai ses frais de voyage et après lui avoir fait comprendre les raisons qui nous empêchent de prendre le chemin de fer j’espère qu’il voudra bien se rendre à mon invitation. S’il accepte mes propositions, il ne me restera plus qu’à m’entendre avec les parents de Rémi ; car eux aussi doivent être consultés.

Jusque-là tout dans cet entretien avait marché à souhait pour moi, exactement comme si une bonne fée m’avait touché de sa baguette ; mais ces derniers mots me ramenèrent durement du rêve où je planais dans la triste réalité.
Consulter mes parents !
Mais sûrement ils diraient ce que je voulais qui restât caché. La vérité éclaterait. Enfant trouvé !
Alors ce serait Arthur, ce serait madame Milligan qui ne voudraient pas de moi ; alors l’amitié qu’ils me témoignaient serait anéantie ; mon souvenir même leur serait pénible ; Arthur aurait joué avec un enfant trouvé, en aurait fait son camarade, son ami, presque son frère.
Je restai atterré.
Madame Milligan me regarda avec surprise et voulut me faire parler, mais je n’osai pas répondre à ses questions ; alors croyant sans doute que c’était la pensée de la prochaine arrivée de mon maître qui me troublait ainsi, elle n’insista pas.
Heureusement cela se passait le soir, peu de temps avant l’heure du coucher ; je pus échapper bientôt aux regards curieux d’Arthur et aller m’enfermer dans ma cabine avec mes craintes et mes réflexions.
Ce fut ma première mauvaise nuit à bord du Cygne, mais elle fut terriblement mauvaise, longue et fiévreuse.
Que faire Que dire ?
Je ne trouvais rien.
Et après avoir tourné et retourné cent fois les mêmes idées, après avoir adopté les résolutions les plus contradictoires, je m’arrêtai enfin à ne rien faire et à ne rien dire. Je laisserais aller les choses et je me résignerais, si je ne pouvais mieux, à ce qui arriverait.
Peut-être Vitalis ne voudrait-il pas renoncer à moi, et alors il n’y aurait pas à faire connaître la vérité.
Et tel était mon effroi de cette vérité, que je croyais si horrible, que j’en vins à souhaiter que Vitalis n’acceptât pas la proposition de madame Milligan.
Sans doute, il faudrait m’éloigner d’Arthur et de sa mère, renoncer à les revoir jamais peut-être ; mais au moins, ils ne garderaient pas de moi un mauvais souvenir.
Trois jours après avoir écrit à mon maître, madame Milligan reçut une réponse. En quelques lignes Vitalis disait qu’il aurait l’honneur de se rendre à l’invitation de madame Milligan et qu’il arriverait à Cette le samedi suivant par le train de deux heures.

Je demandai à madame Milligan la permission d’aller à la gare, et prenant les chiens ainsi que Joli-Cœur avec moi, nous attendîmes l’arrivée de notre maître.
Les chiens étaient inquiets comme s’ils se doutaient de quelque chose, Joli-Cœur était indifférent, et pour moi j’étais terriblement ému. C’était ma vie qui allait se décider. Ah ! si j’avais osé, comme j’aurais prié Vitalis de ne pas dire que j’étais un enfant trouvé !
Mais je n’osais pas, et je sentais que ces deux mots : « enfant trouvé », ne pourraient jamais sortir de ma gorge.
Je m’étais placé dans un coin de la cour de la gare, tenant mes trois chiens en laisse, et Joli-Cœur sous ma veste, et j’attendais sans trop voir ce qui se passait autour de moi.
Ce furent les chiens qui m’avertirent que le train était arrivé, et qu’ils avaient flairé notre maître. Tout à coup je me sentis entraîné en avant, et comme je n’étais pas sur mes gardes, les chiens m’échappèrent. Ils couraient en aboyant joyeusement, et presque aussitôt je les vis sauter autour de Vitalis qui dans son costume habituel, venait d’apparaître. Plus prompt, bien que moins souple que ses camarades, Capi s’était élancé dans les bras de son maître, tandis que Zerbino et Dolce se cramponnaient à ses jambes.
Je m’avançai à mon tour, et Vitalis posant Capi à terre, me serra dans ses bras : pour la première fois, il m’embrassa en me répétant à plusieurs reprises :
– Buon di, povero caro !
Mon maître n’avait jamais été dur pour moi, mais n’avait jamais non plus été caressant, et je n’étais pas habitué à ces témoignages d’effusion ; cela m’attendrit, et me fit venir les larmes aux yeux, car j’étais dans des dispositions où le cœur se serre vite.
Je le regardai, et je trouvai qu’il avait bien vieilli en prison ; sa taille s’était voûtée ; son visage avait pâli, ses lèvres s’étaient décolorées.
– Eh bien ! tu me trouves changé, n’est-ce pas, mon garçon ? me dit-il ; la prison est un mauvais séjour, et l’ennui une mauvaise maladie ; mais cela va aller mieux maintenant.
Puis changeant de sujet :
– Et cette dame qui m’a écrit, dit-il, comment l’as-tu connue ?
Alors, je lui racontai comment j’avais rencontré le Cygne, et comment depuis ce moment j’avais vécu auprès de madame Milligan et de son fils ; ce que nous avions vu, ce que nous avions fait.
Mon récit fut d’autant plus long que j’avais peur d’arriver à la fin et d’aborder un sujet qui m’épouvantait ; car jamais maintenant je ne pourrais dire à mon maître que je désirais le quitter pour rester avec madame Milligan et Arthur.
Mais je n’eus pas cet aveu à lui faire, car nous arrivâmes à l’hôtel où madame Milligan s’était logée avant que mon récit fût terminé. D’ailleurs Vitalis ne me dit rien de la lettre de madame Milligan et ne me parla pas des propositions qu’elle avait dû lui adresser dans cette lettre.
– Et cette dame m’attend ? dit-il, quand nous entrâmes à l’hôtel.’
-Oui, je vais vous conduire à son appartement.
– C’est inutile, donne-moi le numéro et reste ici à m’attendre, avec les chiens et Joli-Cœur.
Quand mon maître avait parlé, je n’avais pas l’habitude de répliquer ou de discuter ; je voulus cependant risquer une observation, pour lui demander de l’accompagner auprès de madame Milligan, ce qui me semblait aussi naturel que juste ; mais d’un geste il me ferma la bouche et je lui obéis, restant à la porte de l’hôtel, sur un banc, avec les chiens autour de moi. Eux aussi avaient voulu le suivre, mais ils n’avaient pas plus résisté à son ordre de ne pas entrer, que je n’y avais résisté moi-même ; Vitalis savait commander.
Pourquoi n’avait-il pas voulu que j’assistasse à son entretien avec madame Milligan ? Ce fut ce que je me demandai, tournant cette question dans tous les sens. Je ne lui avais pas encore trouvé de réponse lorsque je le vis revenir.
– Va faire tes adieux à cette dame, me dit-il, je t’attends ici ; nous partons dans dix minutes.
Je fus renversé.
– Eh bien ! dit-il après quelques minutes d’attente, tu ne m’as donc pas compris ? tu restes là stupide : dépêchons !
Ce n’était pas son habitude de me parler durement, et depuis que j’étais avec lui, il ne m’en avait jamais autant dit.
Je me levai pour obéir machinalement sans comprendre.
Mais après avoir fait quelques pas pour monter à l’appartement de madame Milligan :
– Vous avez donc dit… demandai-je.
– J’ai dit que tu m’étais utile et que je t’étais moi-même utile ; par conséquent, que je n’étais pas disposé à céder les droits que j’avais sur toi ; marche et reviens.
Cela me rendit un peu de courage, car j’étais si complètement sous l’influence de mon idée fixe d’enfant trouvé, que j’imaginais que, s’il fallait partir avant dix minutes, c’était parce que mon maître avait dit ce qu’il savait de ma naissance. En entrant dans l’appartement de madame Milligan, je trouvai Arthur en larmes et sa mère penchée sur lui pour le consoler.
– N’est-ce pas, Rémi, que vous n’allez pas partir ? s’écria Arthur.
Ce fut madame Milligan qui répondit pour moi, en expliquant que je devais obéir.
– J’ai demandé à votre maître de vous garder près de nous, me dit-elle d’une voix qui me fit monter les larmes aux yeux, mais il ne veut pas y consentir, et rien n’a pu le décider.
– C’est un méchant homme ! s’écria Arthur.
– Non, ce n’est point un méchant homme, poursuivit madame Milligan, vous lui êtes utile, et de plus je crois qu’il a pour vous une véritable affection. D’ailleurs, ses paroles sont celles d’un honnête homme et de quelqu’un au-dessus de sa condition. Voilà ce qu’il m’a répondu pour expliquer son refus : « J’aime cet enfant, il m’aime ; le rude apprentissage de la vie que je lui fais faire près de moi lui sera plus utile que l’état de domesticité déguisée dans lequel vous le feriez vivre malgré vous. Vous lui donneriez de l’instruction, de l’éducation, c’est vrai ; vous formeriez son esprit, c’est vrai, mais non son caractère. Il ne peut pas être votre fils ; il sera le mien ; cela vaudra mieux que d’être le jouet de votre enfant malade, doux, si aimable que paraisse être cet enfant. Moi aussi je l’instruirai. »
– Puisqu’il n’est pas le père de Rémi ! s’écria Arthur.
– Il n’est pas son père, cela est vrai, mais il est son maître, et Rémi lui appartient, puisque ses parents le lui ont loué. Il faut que pour le moment Rémi lui obéisse.
– Je ne veux pas que Rémi parte.
– Il faut cependant qu’il suive son maître ; mais j’espère que ce ne sera pas pour longtemps. Nous écrirons à ses parents, et je m’entendrai avec eux.
– Oh ! non ! m’écriai-je.
– Comment, non ?’
‘– Oh ! non, je vous en prie !
– Il n’y a cependant que ce moyen, mon enfant.
– Je vous en prie, n’est-ce pas ?
Il est à peu près certain que si madame Milligan n’avait pas parlé de mes parents, j’aurais donné à nos adieux beaucoup plus que les dix minutes qui m’avaient été accordées par mon maître.
– C’est à Chavanon, n’est-ce pas ? continua madame Milligan.
Sans lui répondre, je m’approchai d’Arthur et le prenant dans mes bras, je l’embrassai à plusieurs reprises, mettant dans ces baisers toute l’amitié fraternelle que je ressentais pour lui. Puis m’arrachant à sa faible étreinte et revenant à madame Milligan, je me mis à genoux devant elle, et lui baisai la main.
– Pauvre enfant ! dit-elle en se penchant sur moi.
Et elle m’embrassa au front.
Alors je me relevai vivement et courant à la porte :
– Arthur, je vous aimerai toujours ! dis-je d’une voix entrecoupée par les sanglots, et vous, madame, je ne vous oublierai jamais !
– Rémi, Rémi ! cria Arthur.
Mais je n’en entendis pas davantage ; j’étais sorti et j’avais refermé la porte.
Une minute après, j’étais auprès de mon maître.
– En route ! me dit-il.
Et nous sortîmes de Cette par la route de Frontignan.

Ce fut ainsi que je quittai mon premier ami et me lançai dans des aventures qui m’auraient été épargnées, si victime d’un odieux préjugé, je ne m’étais pas laissé affoler par une sotte crainte.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s