Vitalis voor de rechter, Rémi gaat op een schip, krijgt een eerste vriend en moet afscheid nemen

IMG_9843

X.

VOOR DEN RECHTER.

Van Pau heb ik een zeer aangenamen indruk ontvangen: in deze stad waait het bijna nooit.

En daar wij haar in den winter bezochten, over dag op straat waren of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen, dat het verblijf daar voor mij een genot was.

Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte, zoolang op een zelfde plaats bleven; het was eene andere, zeer overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze voorstellingen.

Wij hadden gedurende den winter steeds een talrijk kinderpubliek dat ons repertoire nooit moede scheen te zijn en nooit riep: “Is het alweer hetzelfde.”

Voor het grootste gedeelte waren het engelsche kinderen: opgeschoten knapen met roode wangen en kleine meisjes met groote oogen, die bijna even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik de Albert’s, de Huntley’s en andere lekkernijen kennen, waarmede zij, vóór dat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze dan met milde hand tusschen Joli-Coeur, de honden en mij te verdeelen.

Toen de lente zich door eenige warme dagen aankondigde, werd ons publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen ons bezoeken; zij kwamen nu afscheid van ons nemen, want den anderen dag zouden zij vertrekken.

Weldra stonden wij weder geheel alleen op de pleinen en moesten wij er ook weder aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken.

Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de stad geheel uit het gezicht verloren.

Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden weder den grooten weg.

Geruimen tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds recht toe, recht aan, nu eens een dal doortrekkende, dan weder een heuvel beklimmende, terwijl aan onze rechterzijde de blauwe toppen der Pyreneën zich verhieven.

Eindelijk bereikten wij op een avond een groote stad, die aan den oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was omringd; de huizen waren meerendeels zeer leelijk en geheel uit roode steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een twaalftal mijlen per dag hadden afgelegd.

Vitalis zeide mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden vertoeven.

Zooals gewoonlijk, was den anderen dag ons eerste werk om te zorgen, dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden.

Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen, vooral in de nabijheid van den Dierentuin, en reeds bij onze eerste voorstelling hadden wij een talrijk publiek.

Ongelukkig echter keurde een agent van politie onze vertooning zeer af en hetzij hij niet van honden hield, of dat wij hem zijn dienst er moeielijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde ons deze plaats doen verlaten.

Misschien ware het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in te willigen, want in een strijd tusschen arme zwervers, zooals wij, en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester was van een andere meening.

Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zooals hij zelf verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zoolang hij niets deed, wat met de wet of met eenige politieverordening in strijd was.

Hij weigerde dus om aan den agent te gehoorzamen, toen deze ons van het plein wilde wegjagen.

Als mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheerschen of wel lust gevoelde om eene zaak in een bespottelijk daglicht te stellen–hetgeen hem dikwijls overkwam–, dan overdreef hij de italiaansche beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men bijna meenen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een der aanzienlijkste overheidspersonen richtte.

–Vertegenwoordiger der overheid, zeide hij, terwijl hij met zijn hoed in de hand den agent antwoordde, kunt gij mij een verordening toonen, welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers, zooals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op publieke plaatsen te drijven?

De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te gehoorzamen viel.

–Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed; ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zoodra gij mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond.

Dien dag keerde de agent ons den rug toe, terwijl mijn meester, met zijn hoed in de hand, den arm in de zijde en in eenigszins voorovergebogen houding hem lachend een eind vergezelde.

Maar den anderen morgen kwam hij terug, stapte hij zelfs over het touw heen, waarmede ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons midden in onze voorstelling.

–Gij moet uw honden muilbanden, zeide hij op barschen toon tot Vitalis.

–Mijn honden muilbanden?

–Er bestaat eene politieverordening; dat moest gij weten. Deze stoornis deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan en zij riepen:

–Stoor hem niet!

–Laat eerst de voorstelling eindigen!

Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte.

Hij zette daarop zijn hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog zeer onderdanig voor het publiek, naderde den agent met drie diepe buigingen en zeide toen:

–Vertegenwoordiger der overheid, hebt gij gezegd, dat ik mijn komedianten moet muilbanden?

–Ja, uw honden en zoo spoedig mogelijk.

–Muilbanden Capi, Zerbino en Dolce! riep Vitalis, meer tot het publiek dan tot den agent, maar u kunt dat niet meenen! Hoe zou de geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet voor een menschenneus geplaatst wordt.

Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op.

Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde:

–En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan hare welsprekendheid kunnen voldoen, en op hare bevallige wijze onzen zieke kunnen overreden, zijn ingewanden te laten schoonmaken, indien zij aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de vertegenwoordiger der overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit te beslissen?

Het geëerde publiek, welks hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf Vitalis gelijk en bespotte den agent, en vooral schepte men behagen in de dwaze gezichten, die Joli-Coeur trok, achter den rug van den vertegenwoordiger der overheid.

Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste menschen scheen te behooren, zich plotseling om.

Maar hij ontdekte toen den aap, die met zijn hand in de zijde als een kampvechter stond; eenige seconden lang bleven de man en het dier tegenover elkander staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting, wie van beiden het eerst den blik zou nederslaan.

Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit tooneel.

–Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet.

–Tot morgen, signor, tot morgen, zeide Vitalis.

En terwijl de agent zich met groote schreden verwijderde, bleef Vitalis als in tweeën gevouwen, zoo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de voorstelling vervolgd.

Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan koopen; maar hij deed het dien avond niet en sprak zelfs in het geheel niet over zijn twist met den agent.

Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen.

–Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn muilband niet stuk zal maken, dan moogt gij hem van te voren wel eens passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn.

–Meent ge dan, dat ik ze zoo’n ijzeren masker zal opzetten?

–Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeielijkheden te brengen.

–Gij zijt maar een boerenknaap, en evenals alle boeren zijt ge bang voor de politie en de gendarmes. Maar stel u gerust; ik zal morgen wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen.

Van den anderen kant zal ik ook trachten het publiek eenig genoegen te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog eenige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelven eenig voordeel kunnen geven. Daarom gaat gij morgen alleen naar het terrein met Joli-Coeur; gij moet de koorden spannen en een stukje op de harp spelen; wanneer gij u omringd ziet van een groot publiek en de agent er is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling een aanvang.

Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een weinig te leeren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen.

Den anderen dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het touw. Nauwelijks had ik eenige akkoorden aangeslagen of van alle kanten snelde men toe.

In den laatsten tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans eenige stukjes van buiten. Vooral had ik een napolitaansch lied, dat ik met zang begeleidde en dat mij den algemeenen bijval van het publiek deed verwerven.

Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent moest worden toegeschreven; toch was ik dien morgen verstandig genoeg om de talrijke opkomst van het publiek niet met mijn lied in verband te brengen.

Zij, die den vorigen avond bij den twist tusschen den agent en mijn meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd had, dan: “tot morgen, signor,” had toch iedereen begrepen, dat die woorden de aankondiging waren van eene groote voorstelling, waarbij men in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van anderen te lachen.

Vandaar de talrijke opkomst van het publiek.

Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de “Italiaan” bleef.

–Hij komt zoo straks.

En ik vervolgde mijn canzonetta.

Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer.

Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle kanten toe.

De agent raakte eenigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden blik toe.

Dit wekte nog meer den lachlust van het publiek op.

Ik zelf gevoelde lust om hem te bespotten, maar toch was ik niets op mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar was, dan zou hij den agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou, wat ik den agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak.

Het voorkomen van den agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was.

Hij liep langs het touw heen en weer en zoo vaak hij dicht bij mij kwam, zag hij mij aan met een paar oogen, die niet veel goeds voorspelden.

Joli-Coeur, die volstrekt het ernstige van dezen toestand niet inzag, schepte behagen in de houding van den agent en bootste hem getrouw in alles na.

Ik wilde de wanhoop van den agent niet tot het uiterste drijven en riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden.

Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het touw heen.

In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen door een geduchten oorveeg.

Toen ik weder opstond en mijn oogen opende, stond Vitalis tusschen mij en den agent, dien hij bij zijn kraag vasthield.

–Ik verbied u dit kind te slaan, zeide hij; wat gij gedaan hebt is een laagheid.

De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis drukte deze in de zijne.

Gedurende eenige minuten zagen de beide mannen elkander strak aan.

De agent was buiten zich zelven van woede.

Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond de hoogste verontwaardiging te lezen.

Het was mij alsof hij den agent met zijn blik in den grond wilde boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los, greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde.

Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de rechterhand zijn vijand een geduchten slag.

Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn.

Maar er was geen strijd.

–Wat wilt gij? vroeg Vitalis.

–Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.

–Waarom hebt gij dit kind geslagen?

–Geen praatjes, volg mij.

Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.

–Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal u wel nader bericht zenden.

Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede.

Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn meester aardig had willen maken.

De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen, dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was, had een rooden doek; Zerbino, zwart van haar, een witten; de grijze Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden die voor het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo uitgedost, om den agent een poets te spelen.

Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten.

–De oude had gelijk.

–Hij had ongelijk.

–Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch gedaan had?

–Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.

Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.

Vitalis boezemde mij geen vrees meer in, en eerlijk gezegd had dat gevoel ook maar zeer kort bij mij geduurd. Al spoedig had ik mij aan hem gehecht en mijne genegenheid voor hem was met den dag sterker geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van den morgen tot den avond samen en dikwijls deelden wij denzelfden stroozak. Een vader zou niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weder had hij zijn dek met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Van het eten gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelven het beste. Nu en dan trok hij mij wel eens bij mijn ooren en gaf hij mij soms een schop, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben; maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een oogenblik minder waardeeren. Hij hield van mij en ik van hem.

Deze scheiding deed mij dus innig leed.

Wanneer zouden wij elkander weerzien?

Ik had over de gevangenis hooren spreken. Hoelang zou die straf kunnen duren?

Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven?

Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en vóór dat hij zich door den agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld te geven.

Ik had slechts eenige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden?

Twee dagen brachten wij in den grootsten angst door, zonder dat ik de herberg durfde verlaten, en mij aanhoudend met Joli-Coeur en de honden bezighield, die eveneens in de grootste onrust verkeerden.

Eindelijk, den derden dag, bracht een man mij een brief van Vitalis.

In dien brief deelde mijn meester mij mede, dat men hem gevangen hield om den volgenden Zaterdag voor de correctioneele rechtbank te verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar der openbare macht en feitelijk verzet tegen dezen gepleegd.

“Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten medesleepen door mijn drift,” voegde hij er bij, “een fout, die mij duur te staan kan komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting; gij kunt er altijd wat leeren.”

Hij gaf mij toen nog eenigen raad, hoe ik mij te gedragen had en eindigde zijn brief met een hartelijk woord, terwijl hij mij verzocht Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkoozen.

Terwijl ik dezen brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven bemerkte ik, dat hij, door den reuk, wist dat dit papier van zijn meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teeken van leven en vroolijkheid, dat hij gaf.

Ik vroeg eenige inlichtingen en vernam dat de zitting om tien uur ’s morgens begon. Tegen negen uur stond ik dien Zaterdagochtend reeds tegen den post van de deur geleund en ik was de eerste, die het lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende vele personen, die bij de voorstelling tegenwoordig geweest waren.

Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester, ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een groote kachel en, terwijl ik mij tegen den muur drukte, maakte ik mij hoe langer hoe kleiner.

Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven, twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen veroordeeld werden.

Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten, tusschen twee gendarmen in.

Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan om dat te hooren of liever om het te begrijpen. Ik dacht er dan ook niet aan om te luisteren; ik staarde slechts voor mij.

Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg.

–Alzoo, zeide deze, erkent gij dat ge slagen hebt toegebracht aan den agent die u in hechtenis heeft genomen?

–Geen slagen, mijnheer de rechter, maar een slag; toen ik op de plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik den agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven.

–Dat is uw kind niet?

–Neen, mijnheer de rechter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift medesleepen. Ik vatte de hand van den agent om hem te verhinderen, het kind een tweeden slag toe te brengen.

–Hebt gij zelf ook den agent geslagen?

–Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik, wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts den aanvaller en niet den agent en ik kon mezelf niet beheerschen.

–Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven.

–Men moest zich zelf beheerschen; maar men doet helaas! niet altijd wat men moet; dat voel ik thans ook.

–Wij zullen nu den agent hooren.

Deze vertelde de feiten zooals zij gebeurd waren, maar trachtte meer de aandacht te laten vallen op den spot, dien men met zijn persoon gedreven had, dan dat hij van den slag sprak, dien hij ontvangen had.

Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren, de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn schuilplaats te verlaten en terwijl ik tusschen de menigte doorschoof, gelukte het mij eene plaats vooraan te krijgen.

Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te voorschijn; ik gevoelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ondanks mezelf, vulden mijn oogen zich met tranen.

–Is dat al wat gij tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de rechter eindelijk.

–Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind, waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de toegevendheid der rechters in en smeek hen ons zoo kort mogelijk van elkander te scheiden.

Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar gebeurde niets van.

Een andere rechter sprak nog eenige minuten, daarop zeide de president met een ernstige stem, dat Vitalis veroordeeld was tot twee maanden gevangenisstraf en een boete van vijftig gulden.

Twee maanden gevangenisstraf!

Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de deur werd weder gesloten.

Twee maanden zouden wij van elkander gescheiden zijn. Waar moest ik heen?

XI.

OP HET SCHIP.

Toen ik met een bezwaard hart en betraande oogen in de herberg terugkeerde, zag de waard, die in de gang stond, mij strak aan.

Ik wilde haastig doorloopen om naar de honden te gaan, toen hij mij tegenhield.

–En wat zeide uw meester? vroeg hij mij.

–Hij is veroordeeld.

–Tot hoelang?

–Tot twee maanden gevangenisstraf.

–En tot hoeveel boete?

–Tot vijftig gulden.

–Twee maanden, vijftig gulden, herhaalde hij drie of vier keer. Ik wilde doorgaan; opnieuw hield hij mij terug.

–En wat wilt gij gedurende die twee maanden uitvoeren?

–Ik weet het niet, mijnheer.

–Wat, weet ge dat niet? Ge hebt toch zeker geld genoeg om van te leven en voedsel aan uw dieren te geven, denk ik?

–Neen mijnheer.

–Rekent gij er dan op, dat ik u al dien tijd huisvesting zal geven?

–O neen, mijnheer, ik reken op niets.

Ik sprak de zuivere waarheid; ik rekende op niemand.

–Welnu, kereltje, vervolgde de herbergier, daar hebt gij gelijk in; uw meester is mij reeds een aanzienlijke som schuldig; ik kan u twee maanden lang geen krediet geven, zonder te weten of ik op stuk van zaken betaald zal worden. Gij moet hier dus vandaan.

–Hier vandaan–maar waar moet ik dan heen, mijnheer?

–Dat is mijn zaak niet; ik ben uw vader niet, nog minder uw meester. Waarom zou ik voor u zorgen?

Ik bleef een oogenblik verstomd staan. Wat zou ik hem antwoorden? De man had gelijk: waarom zou hij mij bij zich nemen? ik zou hem slechts tot last wezen.

–Vooruit, jongetje, haal uw honden en aap, zoo gauw mogelijk. Gij laat de reistasch van uw meester bij mij, dat spreekt vanzelf, en als hij uit de gevangenis komt, zal hij haar stellig ophalen en dan kunnen wij tevens onze rekening vereffenen.

Deze woorden brachten mij op een denkbeeld; ik meende een middel gevonden te hebben om in deze herberg te blijven.

–Daar gij er zeker van zijt, dat alles u dan betaald zal worden, houd mij dan zoolang bij u en gij kunt dan mijne uitgaven bij die van mijn meester optellen.

–Gelooft gij dat, ventje? Uw meester zal mij wel voor eenige dagen, maar niet voor twee maanden kunnen betalen.

–Ik zal heel weinig eten, indien ge dat toestaat.

–En uw dieren dan? Neen, gij ziet wel, dat gij vertrekken moet! Gij vindt in het een of ander dorp wel voldoende werk, waarmede gij den kost kunt verdienen.

–Maar mijnheer, waar moet mijn meester mij dan zoeken, wanneer hij uit de gevangenis komt? Hij zal mij ongetwijfeld hier komen halen.

–Gij kunt dien dag dan terugkomen. Gij kunt van hier uit een tocht maken van twee maanden en de badplaatsen bezoeken, waar gij stellig veel geld zult verdienen.

–En als mijn meester mij schrijft?

–Ik zal al zijn brieven bewaren.

–Maar dan kan ik hem niet antwoorden.

–Och, je verveelt mij met al die vragen. Ik heb je gezegd, dat je vertrekken moet en wel zoo spoedig mogelijk; ik geef je vijf minuten om je gereed te maken; en zoo ik je hier nog vind, als ik terugkom, krijg je met mij te doen.

Ik gevoelde wel dat langer bij hem aan te houden, mij niets zou baten. Zooals de waard zeide, moest ik “hier vandaan.” Ik begaf mij naar den stal, en toen ik de honden en Joli-Coeur bij elkander geroepen had, na mijn tasch gesloten en die met mijn harp over mijn schouder gehangen te hebben, verliet ik de herberg.

De waard stond op den drempel mij op te wachten.–Als er een brief komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren.

Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden als mij een agent van politie tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij elkander krijgen dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte.

Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden: wij hebben honger.

Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen gaf dan de blik der honden.

Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben?

Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat wij middenop den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest.

Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Monpellier gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting.

In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar liepen een agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven, waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar welk land ik heenging, boezemde mij weinig belang in; overal waar ik at en sliep, zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht: het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den blooten hemel slapen.

Maar eten?

Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep, niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef.

Eindelijk achtte ik me ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood van anderhalf pond.

–Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zeide de bakkersvrouw; daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want die arme dieren moogt ge wel goed voeden.

De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden.

Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te verdienen uit te zien.

Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij niet meer moest afwegen.

–Goed, goed, gaf zij ten antwoord.

En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal waartegen zij even duwde.

–Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee centen rekenen.

En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden.

Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen, teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen; ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.

De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok.

Wij liepen nu niet ver meer.

Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen.

Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg dus op zijn beurt een snede.

Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch opborg om ze voor de honden te bewaren.

Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden, meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden, waarin wij ons bevonden.

Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen hield hij strak op mij gericht.

–Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze meester blijft twee maanden van ons weg.

–Ouah! blafte Capi.

–Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben geen geld.

Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek.

–Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien, in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken.

Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde, en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn.

Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd, onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht.

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld, maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde mij dergelijk genoegen niet.

Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak.

Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp, dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan.

Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak; maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij om er agenten van politie te ontmoeten.

Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor, de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer angst dan zelfvertrouwen te lezen.

Onder het voortgaan wierp ik tersluiks rechts en links een blik, om te zien welken indruk wij maakten. Maar die was niet bijzonder groot: men keek eens even op en terstond weder vóór zich en niemand volgde ons.

In het midden van het dorp was een plein met eene fontein, die door plataanboomen omringd was. Hier zette ik mijn harp neder en begon een wals te spelen. De muziek was vroolijk; mijn vingers vlug, al was mijn hart ook nog zoo treurig gestemd, en het was of een loodzware last op mijn schouders drukte.

Ik deed Zerbino en Dolce dansen; zij gehoorzaamden dadelijk en begonnen op de maat rond te springen.

Maar niemand gaf zich de moeite om naar ons te komen kijken, en toch zag ik voor verscheidene huizen vrouwen, die breiden en met elkander praatten.

Ik speelde maar altijd voort en Zerbino en Dolce bleven dansen. Misschien zou er eindelijk wel iemand naar ons komen kijken en als er een was, zou wel een tweede volgen en dan tien en daarna twintig. Maar of ik al speelde en Zerbino en Dolce al dansten, de menschen bleven waar zij waren en keken zelfs niet naar de plek waar wij stonden.

Het was om wanhopend te worden.

Toch gaf ik den moed niet op; ik speelde nog lustiger voort, zoodat de snaren bijna sprongen.

Eindelijk kwam er een kind uit een der huizen. Het was zoo klein, dat men haast zeggen zou, dat het voor ’t eerst liep. Langzaam naderde het ons. Zeker zou nu zijn moeder ook wel komen en na de moeder eene buurvrouw; wij zouden publiek krijgen en dan ook zeker wel wat ontvangen.

Ik speelde nu wat minder hard, om het kind niet bang te maken en het spoediger bij ons te doen komen. Met de armpjes uitgestrekt en waggelend op zijn beentjes naderde het langzaam. Het kwam al dichter en dichter bij; nog enkele schreden en het was bij ons.

Zijn moeder keek op, verwonderd zeker en ongerust misschien dat het niet bij haar was.

Daar zag zij haar kind. Maar in plaats van het na te loopen, zooals ik gehoopt had, riep zij het terug en het gehoorzame kind keerde dadelijk om.

Misschien hielden die menschen niet van dansen. Dat was ook mogelijk.

Ik beval Zerbino en Dolce te gaan liggen en begon mijn cansonetta te zingen. Nooit deed ik zóó mijn best erop.

Ik hief het tweede couplet aan, toen ik een man met een jas en een vuilen hoed naar mij toe zag komen.

Eindelijk!

Ik zong nog lustiger.

–Zeg eens! riep hij, wat doe-jij hier, kwajongen!

Ik hield eensklaps op, onthutst door die vraag en bleef hem met open mond aanstaren, terwijl hij nog dichterbij kwam.

–Komaan, krijg ik haast antwoord?

–Ik zing, mijnheer.

–Heb-je een permissie om in onze gemeente te zingen?

–Neen, mijnheer.

–Maak dan dat je weg komt, als je niet wil, dat ik proces-verbaal tegen je opmaak.

–Maar mijnheer….

–Noem mij geen mijnheer, maar veldwachter, en ruk uit, luie bedelaar.

Een veldwachter! Ik wist door hetgeen mijn meester overkomen was, wat men te wachten heeft als men zich tegen politieagenten en veldwachters verzet. Dus liet ik het mij geen tweemaal zeggen. Ik ging heen zooals mij gelast was, langs denzelfden weg, dien ik was gekomen.

Bedelaar!–Neen, dat woord was niet verdiend. Ik had niet gebedeld; ik had gezongen; ik had gedanst; dat was mijn manier van werken, en welk kwaad had ik daarmede gedaan?

Binnen vijf minuten was ik buiten het zoo weinig gastvrije, maar zoo goed bewaakte dorp.

Mijne honden volgden mij met hangenden kop; zeker begrepen zij hoe slecht wij van de reis waren gekomen. Capi liep mij nu en dan vooruit en zag mij met zijne verstandige oogen nieuwsgierig aan. Ieder ander in zijne plaats zou mij allerlei vragen hebben gedaan, maar Capi was te goed opgevoed, te goed gedrild, om zich eene onbescheiden vraag te veroorloven. Hij bepaalde er zich toe zijne nieuwsgierigheid aan den dag te leggen, en ik zag hoe zijn kaken beefden, door de pogingen die hij deed om zijn geblaf te onderdrukken.

Toen wij ver genoeg van het dorp waren verwijderd om zeker te zijn, dat de booze veldwachter niet meer komen zou, gaf ik een teeken met mijn hand en dadelijk vormden de drie honden een kring om mij; Capi stond in het midden en hield onbeweeglijk de oogen op mij gevestigd.

Het oogenblik was gekomen om hun de uitlegging te geven, die zij wachtten.

–Daar wij geen permissie hadden om te spelen, zeide ik, jaagt men ons weg.

–En nu? vroeg Capi, met een beweging van zijn kop.

–Nu gaan wij slapen onder den blooten hemel en avondeten hebben wij niet.

Bij het woord avondeten lieten allen een dof gebrom hooren. Ik liet mijn drie stuivers zien.

–Ge weet, dat dit alles is wat we bezitten; geven wij vanavond onze drie stuivers uit, dan hebben wij niets voor ons ontbijt van morgen. Daar wij vandaag gegeten hebben, komt het mij verstandiger voor aan den dag van morgen te denken.

Ik stak de drie stuivers in mijn zak.

Capi en Dolce bogen onderworpen den kop, maar Zerbino, die niet altijd in zijn humeur was en bovendien een lekkerbek, ging voort met brommen.

Na een strengen blik, die hem echter niet tot zwijgen bracht, zeide ik tot Capi.

–Verklaar eens aan Zerbino wat hij niet schijnt te kunnen begrijpen. Wij moeten ons vandaag getroosten niet meer te eten, als wij morgen iets willen hebben.

Dadelijk gaf Capi een slag met zijn poot en eene gedachtenwisseling tusschen hen volgde.

Dat woord gedachtenwisseling vindt men misschien niet zeer juist, omdat het hier honden geldt; maar zeker is het toch, dat alle dieren een eigen manier hebben om elkander iets mede te deelen. Als men in een huis gewoond heeft onder welks daklijst en kozijnen de zwaluwen nestelen, krijgt men al zeer spoedig de overtuiging, dat de vogeltjes niet enkel fluiten om een wijsje te doen hooren, wanneer zij, bij het aanbreken van den dag, zoo druk met elkander bezig zijn. Het zijn bepaalde gesprekken die zij met elkander houden; ernstige zaken behandelen zij, waarin woorden vol teederheid worden gewisseld. En de mieren van denzelfden stam kruisen, als zij elkander ontmoeten, hunne voelsprietjes. Moet men ook daaruit niet opmaken, dat zij elkaar het een of ander mededeelen wat voor haar van belang is? Wat de honden betreft, deze kunnen niet alleen spreken, maar ook lezen: zie maar eens hoe zij met hun neus in de lucht of met den kop vlak op den grond de steenen en planten berieken en dan eensklaps een oogenblik stilstaan bij een struik of voor een muur. Wij menschen zien niets op die muren, maar de hond leest daarop allerlei bijzondere dingen in een geheimzinnig schrift, dat door ons zelfs niet wordt opgemerkt.

Wat Capi aan Zerbino mededeelde, verstond ik niet; want zoo al de honden de taal der menschen verstaan, de menschen kennen die der dieren niet; ik zag alleen, dat Zerbino niet naar rede wilde luisteren en erop aandrong, dat de drie stuivers vandaag nog zouden worden uitgegeven; Capi moest eindelijk wel boos worden en eerst toen hij zijn tanden had laten zien, gaf Zerbino, die niet heel dapper was, toe.

De vraag omtrent het avondeten was dus beslist, maar die van het nachtverblijf moest nog behandeld worden.

Gelukkig was het mooi weer; het was een warme dag geweest en in dezen tijd van ’t jaar onder den blooten hemel te slapen, was zoo erg niet. Alleen moest men zijne slaapstee zoodanig inrichten, dat men geen last kon hebben van de wolven, zoo die er waren in dezen omtrek en–wat mij nog grooter gevaar scheen–van de veldwachters, want voor ons waren die menschen nog meer te vreezen dan de wilde dieren.

Wij moesten dus maar doorloopen, den weg volgende, tot wij eene goede schuilplaats hadden gevonden.

Het was een lange weg; de eene mijl volgde op de andere en de laatste rooskleurige gloed der ondergaande zon was verdwenen, zonder dat wij nog eene schuilplaats gevonden hadden. Er moest nu wel een besluit worden genomen.

Toen ik stilstond om op de plek, waar wij waren, den nacht door te brengen, bevonden wij ons in een bosch, waarin hier en daar eenige open vlakken waren, in het midden waarvan groote rotsklompen zich verhieven. De plaats was zeer somber en verlaten, maar wij hadden geen keus en ik meende, dat wij tusschen die granietblokken wel tegen de nachtelijke koude beschermd zouden zijn. Ik zeg “wij” en bedoel hiermede Joli-Coeur en mij zelven, want wat de honden betreft, om hen behoefde ik mij zoo zwaar niet te bekommeren: zij zouden er de koorts niet van krijgen of zij al een nachtje buiten sliepen. Maar voor me zelven moest ik oppassen, want ik besefte al de verantwoordelijkheid, die op mij rustte. Wat zou er van mijn troep terechtkomen, als ik ziek werd? Wat zou ik beginnen, als ik Joli-Coeur moest verzorgen?

Wij sloegen nu terzijde van den weg af en volgden de openingen tusschen de steenen, totdat ik vóór mij een groot rotsblok zag, zoodanig gevormd, dat er onder eene soort van grot was en het bovengedeelte als een gewelf erover uitstak. In die grot had de wind eene groote massa verdorde dennenaalden bijeengedreven. Beter konden wij niet verlangen; er was een matras om ons op uit te strekken; een dak om ons te beschutten; er ontbrak ons niets dan een stuk brood tot avondeten. Maar men moest maar trachten daar niet aan te denken. Het spreekwoord zegt terecht: wie slaapt voelt geen honger.

Vóór ik insliep deelde ik aan Capi mede, dat wij op zijne waakzaamheid rekenden en in plaats van zich, evenals wij, op de dennenaalden neer te leggen, bleef het goede dier buiten onze grot om de wacht te houden. Ik kon nu gerust zijn, overtuigd, dat niemand bij ons zou komen vóór ik gewaarschuwd was.

Hoewel hieromtrent gerustgesteld, kon ik toch niet zoo dadelijk op mijn matras van dennenaalden inslapen bij Joli-Coeur, die in mijn jas gewikkeld naast mij lag, Zerbino en Dolce aan mijn voeten. Mijne bezorgdheid was nog grooter dan mijne vermoeienis.

Deze eerste dag van mijn reis was slecht geweest: wat zou de dag van morgen opleveren? Ik had honger en dorst en ik bezat niet meer dan drie stuivers. Of ik ze al omkeerde en nog eens omkeerde in mijn zak, er bleven er altijd maar drie; ik kwam niet boven dat getal.

Hoe zou ik mijn troepje in het leven houden en hoe mij zelven, als ik morgen en de volgende dagen geen gelegenheid had om voorstellingen te geven? Muilbanden, een permissie om te zingen–hoe zou ik die bekomen? Moesten wij dan allen van honger omkomen in een bosch? sterven onder de struiken?

Terwijl ik over die treurige dingen dacht, keek ik naar de sterren, die boven mij aan den donkeren hemel flonkerden. Geen windje woei er. Overal doodelijke stilte; geen blaadje ritselde; geen vogel deed zich hooren; geen wiel kraakte op den weg; zoo ver mijn blik in die blauwe diepte reikte, was alles stil en ledig: eenzaam en verlaten waren wij.

Ik voelde de tranen in mijn oogen komen; opeens begon ik te weenen: Arme vrouw Barberin! Arme Vitalis!

Ik lag voorover en liet mijn tranen in mijne handen vloeien, zonder dat ik ze kon tegenhouden. Daar voelde ik een warmen adem in mijn haren; ijlings richtte ik mij op, eene groote tong, zacht en warm, lekte mijne wangen. Het was Capi, die mij had hooren weenen en mij kwam troosten, zooals hij mij ook te hulp was gekomen, den eersten nacht dat wij op reis waren.

Ik sloeg mijn beide armen om zijn hals en drukte een kus op zijn vochtigen snuit. Toen onderdrukte hij twee- of driemaal een zacht gekreun en het scheen, dat hij weende met mij.

Toen ik wakker werd, was het helder dag en Capi zat tegenover me en keek mij aan. De vogels zongen in het gebladerte; in de verte, heel in de verte, hoorde ik het Angelus kleppen. De zon, die reeds hoog aan den hemel stond, wierp hare stralen uit, die warmte en kracht gaven, zoowel aan de grot als aan ons lichaam. Ons morgen-toilet was spoedig gemaakt en wij begaven ons op weg in de richting waar we het Angelus hoorden luiden. Daar was een dorp en zeker ook een bakker. Als men zonder eten is gaan slapen, doet de honger zich spoedig gevoelen.

Ik had mijn besluit genomen. Mijne drie stuivers zou ik uitgeven en daarna zouden wij zien. Toen ik in het dorp kwam, behoefde ik niet te vragen waar de bakker woonde; ik rook zijn winkel reeds van verre; mijn reukorgaan was bijna even fijn als dat van de honden, zoodat reeds op een afstand de lucht van het warme brood door mij werd waargenomen.

Als het brood vijf stuivers per pond kost, heeft men niet veel voor drie stuivers, ieder kreeg een klein stukje, zoodat ons ontbijt spoedig afgeloopen was.

Nu was het oogenblik daar om te denken, hoe wij aan den kost moesten komen. Ik liep het dorp door, om te zien waar de gunstigste gelegenheid was voor eene voorstelling en ook om de gezichten der menschen gade te slaan, teneinde daaruit te ontdekken of ze ons al of niet gezind zouden wezen. Mijn plan was niet om terstond met de voorstelling te beginnen, want daarvoor was het uur niet bijzonder geschikt, maar om de beste plaats uit te kiezen en dan tegen het midden van den dag daar terug te komen en de kans te wagen.

Met die plannen was ik geheel vervuld, toen ik opeens achter mij hoorde roepen; ik keek om en zag Zerbino, die door eene oude vrouw werd nagezet. Het duurde niet lang of ik begreep wat er gaande was: de hond had bemerkt, dat ik in gepeins was verzonken; hij had mij verlaten en was een huis binnengeloopen, waar hij een stuk vleesch gestolen had, dat hij nu nog in den bek droeg.

–Houd den dief! houd den dief! riep de vrouw.

Toen ik die woorden hoorde, voelde ik, dat ik schuldig was, tenminste verantwoordelijk voor de daad van mijn hond, en begon ik ook hard te loopen. Wat moest ik zeggen als de oude vrouw mij den prijs vroeg van het stuk vleesch, dat de hond gestolen had? Hoe zou ik het betalen? Als ik eens gepakt werd, zou men mij dan niet gevangen houden?

Toen zij me hard zagen wegloopen, bleven ook Capi en Dolce niet achter; ik voelde ze op mijne hielen, terwijl Joli-Coeur, dien ik op mijn schouder droeg, zijn poot om mijn hals sloeg om niet te vallen.

Ik behoefde niet bang te zijn, dat men ons zou inhalen, maar men zou ons kunnen tegenhouden en dit scheen mij het plan van twee of drie menschen, die van de andere zijde kwamen. Gelukkig lag er tusschen ons een dwarsstraat; die sloeg ik in, gevolgd door mijne honden, en weldra waren wij weder in het open veld. Toch bleef ik niet staan voordat ik geheel buiten adem was, en toen had ik zeker twee kilometer geloopen. Eerst durfde ik nog niet omzien, maar toen ik eindelijk een blik achter mij wierp, bemerkte ik, dat niemand ons volgde. Capi en Dolce waren altijd nog op mijne hielen. Zerbino volgde op een afstand; hij had onderweg zeker stilgestaan om zijn stuk vleesch op te eten. Ik riep hem, maar Zerbino begreep, dat hij een strenge kastijding te wachten had en bleef eerst staan; daarop keerde hij zich om en liep heen zoo snel hij kon.

Slechts uit honger had Zerbino het vleesch gestolen. Maar dit was voor mij geen reden van verontschuldiging. Hij had gestolen en de schuldige moest gestraft worden, of het was uit met de tucht onder mijn troep. In het volgende dorp zou Dolce het voorbeeld van zijn makker volgen en Capi zelf zou eindelijk bezwijken voor de verzoeking. Dus moest Zerbino voorbeeldig gestraft worden. Maar daarvoor moest ik hem binnen mijn bereik hebben en dat was zoo gemakkelijk niet. Ik nam mijne toevlucht tot Capi.

–Haal Zerbino, zeide ik.

Dadelijk rende hij weg om den last, die ik hem opdroeg, te volbrengen. Het scheen mij evenwel toe, dat hij die taak minder gewillig op zich nam dan anders en uit den blik, dien hij op mij wierp vóór hij heenging, meende ik te bespeuren, dat hij liever de advocaat van Zerbino wezen zou dan de gendarme, die hem oppakte.

Ik moest thans de terugkomst afwachten van Capi en zijn gevangene, wat vrij lang kon duren, daar Zerbino zeker niet zoo dadelijk zou terugkeeren. Dat wachten vond ik evenwel zoo onaangenaam niet. Ik was te ver van het dorp om van die zijde iets te vreezen, en daarbij was ik zoo vermoeid, dat ik gaarne een poos wilde uitrusten. Bovendien, waarom zou ik mij haasten: ik wist niet waar ik heen moest gaan of wat ik doen moest. De plek, waar ik stil had gestaan, was tevens uitmuntend geschikt om er een poos te vertoeven. Zonder te weten waarheen ik mij in mijn dollen loop gericht had, was ik aan een kanaal gekomen en na de zandige vlakte te hebben doorkruist, die zich in de omstreken van Toulouse uitstrekt, was ik nu in een weelderig, vruchtbaar land gekomen: water, boomen, gras, eene kleine beek, die tusschen de spleten vloeide van eene dichtbegroeide rots, en telkens kleine watervallen vormde. Het was hier allerbekoorlijkst en uitnemend geschikt om de terugkomst der honden af te wachten.

Een uur ging er voorbij en geen van beiden keerde terug. Reeds begon ik mij ongerust te maken, toen Capi verscheen met hangenden kop.

–Waar is Zerbino?

Capi legde zich in vreesachtige houding voor mij neder en ik zag nu, dat een van zijn ooren bloedde.

Meer was niet noodig om mij te doen begrijpen wat er gebeurd was. Zerbino had zich tegen den gendarme verzet; hij had weerstand geboden aan Capi, die misschien zelf maar met tegenzin gehoorzaamd had aan het bevel, dat ook hij te streng achtte en hij had zich laten overwinnen.

Moest ik hem beknorren en ook straffen? Daartoe had ik den moed niet; ik was niet in eene stemming om anderen te kwellen: ik had al genoeg aan mijn eigen verdriet.

Daar Capi niet in zijne taak geslaagd was, bleef mij niets anders over dan af te wachten of Zerbino ook terug zou willen komen. Ik kende hem genoeg om te weten, dat na een eerste vlaag van verzet, hij zich zou onderwerpen aan de straf en dat ik hem dus weldra berouwvol voor mij zou zien.

Ik strekte mij onder een boom uit; Joli-Coeur had ik vastgemaakt, want ik was bang, dat hij lust zou krijgen om Zerbino te gaan opzoeken. Capi en Dolce lagen aan mijne voeten.

De tijd ging voorbij. Zerbino keerde nog maar niet terug. Onwillekeurig maakte de slaap zich van mij meester en ik sliep in. Toen ik wakker werd, stond de zon recht boven ons; uren waren er voorbijgegaan. Maar de zon behoefde mij niet te zeggen, dat de tijd voortgegaan was: mijn maag vertelde me dat er uren waren verstreken sedert ik mijn stukje brood gegeten had. Van hun kant gaven ook de twee honden en Joli-Coeur mij op de duidelijkste wijze te kennen, dat zij honger hadden. Capi en Dolce door hun beklaaglijk voorkomen; Joli-Coeur door zijne dwaze sprongen. Zerbino was nog altijd niet terug.

Ik riep; ik floot, maar alles tevergeefs; hij verscheen niet; hij had goed ontbeten en rustte nu waarschijnlijk uit onder eene struik. Mijn toestand werd moeielijk. Als ik wegging, zou hij ons misschien kunnen verliezen en nooit meer terugkomen; als ik bleef, miste ik de gelegenheid om eenige stuivers te verdienen voor een middagmaal. En de behoefte aan dat middagmaal werd hoe langer hoe grooter. De oogen van de honden waren wanhopend op de mijne gevestigd en Joli-Coeur wreef zijn buik en liet nu en dan een nijdig gebrom hooren.

Daar de tijd voorbijging en Zerbino niet kwam, zond ik Capi er nogmaals op uit om zijn kameraad te halen, maar na verloop van een halfuur kwam hij weder alleen terug en deed mij begrijpen, dat hij hem niet gevonden had.

Wat nu te doen? Hoewel Zerbino straf verdiende en ons door zijn schuld in een alleronaangenaamsten toestand had gebracht, kon ik het niet over mij verkrijgen om hem te verlaten. Wat zou mijn meester zeggen, als ik hem zijn drie honden niet terugbracht? En dan…. ik hield van dien schelm van een Zerbino.

Ik besloot te wachten tot den avond, maar het was onmogelijk al dien tijd werkeloos te blijven met zulke hongerige magen, want de honger liet zich te meer gelden nu er niets was, dat ons eenige afleiding geven kon. Er moest iets gevonden worden dat ons alle vier eenige afleiding schonk. Als wij maar vergeten konden dat wij honger hadden, zouden wij hem in deze uren van eenzame verlatenheid zeker minder voelen. Maar waarmede ons bezig te houden?

Toen ik daarover nadacht, herinnerde ik mij hoe Vitalis mij eens verteld had, dat in den oorlog, als een regiment vermoeid was door een langen marsch, men muziek maakte, en bij die vroolijke, meeslepende melodieën vergaten de soldaten hunne vermoeidheid. Als ik nu ook eens een vroolijk deuntje speelde, zouden wij misschien ook onzen honger vergeten. In ieder geval, als ik muziek maakte en de honden liet dansen met Joli-Coeur, zou de tijd spoediger voorbijgaan.

Ik nam mijn harp, die tegen een boom stond en met mijn rug naar het kanaal gekeerd, begon ik, na mijn personeel in orde te hebben gebracht, een dans en daarna een wals te spelen.

Eerst schenen mijne acteurs niet zeer geneigd om te dansen. Het was duidelijk, dat een stuk brood meer in hun smaak zou zijn gevallen, maar langzamerhand kwam er meer leven bij hen; de muziek had hare gewone uitwerking; wij vergaten het stuk brood, dat wij niet hadden en ik dacht aan niets anders meer dan aan de muziek en zij aan het dansen.

Eensklaps hoorde ik achter mij eene heldere kinderstem, die “bravo!” riep. Ik keerde mij ijlings om.

Een scheepje voer door het kanaal, met den steven gericht naar den oever waar ik stond; de twee paarden, die het voorttrokken, liepen op den anderen oever. Het was een vreemdsoortig schip, zooals ik er nog nooit een gezien had. Het was veel korter dan de pramen, welke gewoonlijk gebezigd worden voor de vaart op het kanaal en op het dek, dat slechts even boven het water uitstak, was een soort van glazenhuis gebouwd. Op de voorplecht was eene verande aangebracht, die met slingerplanten was bedekt, waarvan de stengels, die hier en daar zich aan het glazendak hadden gehecht, als beken van groen nedervielen. Onder die veranda zag ik twee personen: eene nog jeugdige dame met een edel, eenigszins droevig voorkomen, en een knaap van mijn leeftijd ongeveer en die mij toescheen te liggen, terwijl de dame stond.

Zeker was het die knaap geweest, die bravo had geroepen.

Spoedig was ik van mijne verrassing bekomen, want er was niets in die verschijning, dat mij bang maakte; ik nam mijn hoed af om te bedanken voor de toejuiching.

–Speelt ge voor uw pleizier? vroeg de dame mij in een vreemden tongval.

–Ik deed het om mijn troepje te oefenen en ook…. om mij eenige afleiding te bezorgen.

De knaap wenkte de dame, die zich over hem heen boog.

–Wilt ge nog wat spelen? vroeg de dame, het hoofd opheffende.

Of ik nog wat wilde spelen! Spelen voor een publiek dat mij zoo juist van pas kwam. Ik liet me niet bidden.

–Wil u een dans of eene comedie? vroeg ik.

–O, een comedie! riep de knaap.

Maar de dame zeide, dat zij liever een dans wilde zien.

–Een dans duurt zoo kort, zeide de knaap.

–Na den dans kunnen wij verscheidene toeren verrichten zooals die in het paardenspel te Parijs vertoond worden, indien het geëerde publiek dit verlangt.

Dit was een uitdrukking van mijn patroon en ik trachtte die met evenveel waardigheid te uiten. Bij nader inzien was ik blij, dat men de comedie niet verlangd had, want ik zou vrij wat moeite hebben gehad om ze behoorlijk van stapel te doen loopen, vooreerst omdat Zerbino er niet was en ook omdat ik de costumes miste en hetgeen er verder bijhoorde.

Ik nam dus mijne harp en begon een wals te spelen. Dadelijk sloeg Capi zijne twee pooten om het lijf van Dolce en zij begonnen rond te draaien op de maat. Daarop deed Joli-Coeur een dans alleen. Toen volgden de andere stukken, die wij konden uitvoeren en wij voelden onze moeheid niet meer. Wat mijne acteurs betrof, die begrepen zeker, dat zij voor al hun moeite een goed maal zouden krijgen en zij deden even goed hun best als ik.

Opeens, te midden van een der kunstverrichtingen, zag ik Zerbino uit het kreupelhout te voorschijn komen, en toen zijne kameraden in zijne nabijheid waren, nam bij te midden van hen plaats en vervulde zijne rol.

Terwijl ik speelde en op mijn troepje lette, wierp ik nu en dan een blik naar den knaap, die zonderling genoeg, hoewel hij veel vermaak schepte in de vertooning, zich niet verroerde. Hij bleef uitgestrekt liggen zonder zich te bewegen, nu en dan slechts klapte hij in de handen.

Was hij lam? Hij scheen op een plank vastgebonden.

Intusschen was het schip tegen den oever komen liggen waar ik stond, en ik zag nu den jongen alsof ik zelf op de schuit had gestaan. Hij had blonde haren en zijn gelaat was zeer bleek, zoo bleek, dat men de blauwe aderen van zijn voorhoofd zien kon onder zijn doorschijnend vel. Zijn gelaat had iets treurigs en pijnlijks als van een zieke.

–Hoeveel kost een plaats bij uwe vertooning? vroeg de dame.

–Men betaalt naarmate van het genoegen, dat ze gegeven heeft.

–Dan moet u heel veel betalen, mama, zeide de knaap, en hij voegde er toen iets bij in eene taal, die ik niet verstond.

–Arthur wilde uw diertjes van dichterbij zien.

Ik gaf Capi een teeken, die terstond zijn loop nam en in de boot sprong.

–En de anderen! riep Arthur.

Zerbino en Dolce volgden hun makker.

–En de aap!

Ook Joli-Coeur kon gemakkelijk den sprong doen; maar als hij eens aan boord was, kon hij zich wel eens vrijheden veroorloven, die niet in den smaak der dame vielen.

–Is hij nijdig? vroeg zij.

–O neen, mevrouw, maar hij is niet altijd gehoorzaam en ik ben bang, dat hij iets doet, wat niet goed is.

–Welnu, kom zelf dan maar met hem mede.

Bij die woorden gaf zij een wenk aan een man, die bij het roer stond en deze kwam terstond naar de plecht met een plank, waarvan hij het uiteinde op den kant legde.

Over deze brug kon ik nu op het schip komen zonder den gevaarlijken sprong te wagen en ik liep er met waardigheid overheen met mijne harp over den schouder en mijn aap in de hand.

–O, de aap! de aap! riep Arthur.

Ik naderde den knaap en terwijl hij hem streelde, kon ik hem op mijn gemak gadeslaan. Ik zag nu, dat hij inderdaad op een plank was vastgebonden, zooals ik terstond reeds had meenen te bemerken.

–Je hebt een vader, niet waar, jongenlief? vroeg de dame.

–Ja, maar thans ben ik alleen.

–Voor hoe lang?

–Voor twee maanden.

–Twee maanden! arme jongen. Hoe komt gij zoo alleen op uw leeftijd?

–Ik moet wel, mevrouw.

–Uw meester dwingt u vast om na twee maanden hem eene bepaalde som geld te geven?

–Neen, mevrouw, hij dwong mij tot niets. Als ik maar met mijn troepje leven kan, is dit genoeg.

–En ge hebt tot dusver kunnen leven?

Ik aarzelde met mijn antwoord. Nooit had ik eene dame gezien die mij zooveel ontzag inboezemde als zij, die mij thans ondervroeg. Toch sprak zij zoo minzaam tegen mij, hare stem was zoo zacht, haar blik zoo vriendelijk, zoo bemoedigend, dat ik er eindelijk maar toe besloot de waarheid te vertellen. Waarom zou ik ook zwijgen?

Ik verhaalde haar dus waarom ik van Vitalis had moeten scheiden, die tot gevangenisstraf was veroordeeld, omdat hij mij verdedigd had en hoe ik, sedert ik Toulouse had verlaten, niets had verdiend.

Terwijl ik sprak, speelde Arthur met de honden, maar hij luisterde toch toe en hoorde wat ik zeide.

–Wat zult ge dan allen honger hebben! riep hij uit.

Op dat woord, dat ze allen verstonden, begonnen de honden te blaffen en Joli-Coeur wreef zijn buik.

–Hé, mama! zeide Arthur.

De dame begreep zijn bedoeling. Zij sprak eenige woorden in een vreemde taal tot eene vrouw, wier hoofd te voorschijn kwam door eene half-geopende deur en bijna onmiddellijk daarna bracht deze een tafeltje met allerlei spijzen.

–Ga zitten, mijn jongen, zeide de dame.

Ik liet mij niet tweemaal noodigen, zette mijn harp neder en nam aanstonds plaats aan tafel. De honden schaarden zich om mij en Joli-Coeur ging op mijne knieën zitten.

–Eten uwe honden brood? vroeg Arthur.

Of ze brood aten; ik gaf hun elk een stuk, dat zij onmiddellijk verslonden.

–En de aap? vroeg Arthur weder.

Maar hij behoefde dit niet eens te vragen, want terwijl ik de honden bediende, had hij zich meester gemaakt van een korst, waarin hij onder tafel bijna stikte.

Op mijn beurt nam ik een sneedje brood en zoo ik er al niet bijna in stikte, zooals Joli-Coeur, at ik het toch even gulzig op als hij.

–Arm kind! sprak de dame, terwijl zij mijn glas vulde.

Arthur zeide niets, maar sloeg ons gade met wijd geopende oogen. Hij verbaasde zich zeker over onzen eetlust, want de een was al hongeriger dan de ander, zelfs Zerbino, die toch meer of minder verzadigd moest zijn van het vleesch, dat hij gestolen had.

–En waar zoudt gij vandaag gegeten hebben, als wij u niet ontmoet hadden? vroeg Arthur.

–Ik denk dat wij dan niet zouden gegeten hebben.

–En waar zult gij morgen van eten?

–Misschien zullen wij morgen den een of ander ontmoeten, die zoo goed is als u.

Arthur sprak niet meer tot mij. Hij wendde zich tot zijne moeder en zij spraken langen tijd met elkander in de vreemde taal, die ik reeds van hen gehoord had. Hij scheen iets te vragen, wat zij niet geneigd was toe te staan, tenminste, waartegen zij veel bezwaar had.

Opeens wendde hij zijn hoofd weder naar mij toe, want zijn lichaam verroerde zich niet.

–Wilt gij bij ons blijven? vroeg hij.

Ik zag hem aan, maar ik kon geen antwoord geven, zoo verrast was ik door die vraag.

–Mijn zoon vraagt, of gij bij ons wilt blijven.

–Op dit schip?

–Ja, op dit schip. Mijn zoontje is ziek; de geneesheeren hebben voorgeschreven, dat hij op eene plank zou worden vastgebonden, zooals gij ziet. Opdat hij zich niet zou vervelen, doe ik tochtjes met hem op het water. Gij blijft bij ons. Uwe honden en uw aap zullen voorstellingen geven voor Arthur, die uw publiek zal uitmaken. En gij, beste jongen, zult voor ons op uw harp spelen. Daarmede bewijst gij ons een dienst en wij kunnen u misschien van nut zijn. Gij behoeft niet elken dag naar een publiek te zoeken, wat misschien op uw leeftijd u zoo gemakkelijk niet zou vallen.

Op een schip! Ik was nooit op een schip geweest en dat was juist wat ik het vurigst had verlangd. Ik zou op een schip leven, op het water! Welk een geluk!

Dit was de eerste gedachte, die zich van mij meester maakte en mij geheel overstelpte. Welk een droom!

Eenige oogenblikken nadenken deden mij al het geluk beseffen, dat in die vraag voor mij opgesloten lag en hoe goed de dame was, die ze tot mij richtte.

Ik greep hare hand en kuste die.

Zij scheen gevoelig voor dit blijk van erkentelijkheid en minzaam, teeder bijna, streek zij een paar malen met hare hand over mijn voorhoofd.

–Arm kind, zeide zij.

Daar men verlangd had, dat ik op de harp zou spelen, meende ik terstond aan dat verlangen te moeten voldoen: die haast was in zekere mate een bewijs van goeden wil en van mijn streven om mijne dankbaarheid te toonen.

Ik nam mijne harp, zette mij op de plecht en begon toen te spelen. Op dat oogenblik haalde de dame een zilveren fluitje te voorschijn en een schelle toon klonk door de lucht. Ik hield dadelijk op en vroeg me zelven af waarom zij floot? Was het omdat ik valsch speelde of omdat ik zou ophouden?

Arthur, die alles opmerkte wat er om hem heen gebeurde, begreep mijne gedachte.

–Mama heeft gefloten ten teeken dat de paarden weder kunnen voortgaan.

En de boot verwijderde zich dan ook van den oever en doorkliefde het kalme kanaal, door de paarden voortgetrokken. Het water lekte de kiel en van weerszijden schenen de boomen ons voorbij te trekken, verlicht door de schuine stralen van de ondergaande zon.

–Wilt gij spelen? vroeg Arthur.

En met een beweging van zijn hoofd zijne moeder bij zich roepende, nam hij hare hand en hield die in de zijne gedurende al den tijd, dat ik de verschillende stukken speelde, die mijn meester mij geleerd had.

XII.

MIJN EERSTE VRIEND.

De moeder van Arthur was eene Engelsche. Zij heette mevrouw Milligan. Zij was weduwe en Arthur was haar eenig kind–althans haar eenig kind in leven, want zij had een oudsten zoon gehad, die op geheimzinnige wijze was verdwenen.

Toen het zes maanden oud was, was dit kind verloren of gestolen, en nooit had men er een spoor van kunnen ontdekken. In den tijd waarin dit plaats had gehad, kon mevrouw Milligan dan ook niet het noodige onderzoek instellen. Haar echtgenoot lag toen op sterven en zij zelve was zwaar ziek, zoodat zij buiten kennis lag en niet wist wat er om haar heen gebeurde. Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was haar man gestorven en haar zoon verdwenen. Het onderzoek was ingesteld door haar schoonbroeder, James Milligan. Maar in diens keuze was iets zonderlings, omdat de heer James Milligan belangen had, die in lijnrechten strijd waren met die zijner schoonzuster. Immers, stierf zijn broeder zonder kinderen, dan was hij diens erfgenaam. Zijne nasporingen leidden tot geenerlei ontdekking: in Engeland, Frankrijk, België, Duitschland en Italië–nergens was iets van het verdwenen kind te ontdekken.

Toch erfde de heer James Milligan niet van zijn broeder, want weinige maanden na den dood van dezen was er een nieuwe erfgenaam: de kleine Arthur.

Maar dat tengere en ziekelijke kind kon niet lang leven, zeiden de geneesheeren. Hij moest spoedig sterven en na zijn dood zou James Milligan eindelijk de erfgenaam worden van den titel en het fortuin van zijn ouderen broeder, want de wetten betreffende de nalatenschappen zijn niet dezelfde in alle landen, en in Engeland kan zich het geval voordoen, dat een oom erft, ten nadeele van eene moeder.

Het uitzicht van den heer James Milligan werd dus beperkt door de geboorte van zijn neef; maar geheel weggenomen werd het niet. Hij behoefde slechts te wachten; en hij wachtte.

De voorspelling van de geneesheeren werd echter niet verwezenlijkt. Arthur bleef wel zwak en ziekelijk, maar hij stierf niet zooals men voorspeld had. De zorgvuldige verpleging van zijne moeder hield hem in het leven. Dit is een wonder, dat, den hemel zij dank, zeer dikwijls plaats heeft.

Twintigmaal meende men, dat hij bezwijken zou; achtervolgens, ja somtijds twee te gelijk, had hij alle ziekten gehad, waaraan kinderen onderhevig zijn.

In den laatsten tijd had zich eene treurige kwaal van hem meester gemaakt; eene verlamming in de heupen. Als geneesmiddel had men de zwavelbaden voorgeschreven, en mevrouw Milligan was met hem naar de Pyreneën gereisd. Na daar vruchteloos de baden te hebben gebruikt, had men een andere kuur aangeraden: de knaap moest het lichaam gestrekt houden en niet op zijne voeten rusten. Toen had zijne moeder de boot laten inrichten, waarop ik de reis medemaakte.

Zij kon er niet toe besluiten haar zoon in huis opgesloten te houden; dan zou hij gestorven zijn van zijn verveling en gebrek aan lucht. Daar Arthur zelf niet loopen kon, liet zij een huis voor hem maken, dat zich kon verplaatsen.

De boot was dan ook geheel als een drijvende woning ingericht, met huiskamer, keuken, salon en veranda. In het salon of onder die veranda bracht Arthur den dag door van des morgens tot des avonds met zijne moeder aan zijne zijde, en de landschappen trokken hem voorbij; hij behoefde de oogen maar te openen.

Eene maand geleden hadden zij Bordeaux verlaten en na de Garonne te zijn opgevaren, hadden zij nu het Zuider-kanaal bereikt. Dit bracht hen in de vijvers en kanalen naar de Middellandsche Zee, vanwaar zij de Rhône zouden opvaren en daarna de Saône; van deze rivier zouden zij in de Loire komen en dan te Briâre de Seine nemen om den loop dezer rivier te volgen tot Rouaan, waar zij een grooter schip zouden huren om naar Engeland terug te keeren.

Natuurlijk vernam ik al deze bijzonderheden omtrent mevrouw Milligan en haar zoon niet den dag, waarop ik aankwam. Ik vernam ze eerst geleidelijk, een voor een en voeg ze hier slechts in volgorde samen, om mijn verhaal duidelijker te maken. Op den eersten dag maakte ik kennis met het vertrek, dat ik op De Zwaan–zoo heette het schip–bewonen zou. Het was heel klein, twee el lang en een el breed, het was het aardigste huisje, dat de verbeelding van een kind zich kan voorstellen. De meubels bestonden uit een enkele kast, maar die geleek wel op een tooverflesch van een goochelaar: er kwam van alles uit. Het bovenste gedeelte was er niet vast op bevestigd, maar kon opgelicht worden en dan had men een volledig bed: matras, hoofdkussen en dek. Natuurlijk was het niet heel groot, maar toch groot genoeg voor mij om er lekker in te liggen. Onder dat bed was eene lade, waarin men alle voorwerpen vond, die men voor zijn toilet noodig heeft en daaronder was een andere lade met verschillende afdeelingen voor ondergoed en bovenkleeren. Tafels of stoelen waren er niet; althans niet in den gewonen vorm, maar aan het hoofdeinde van het bed was tegen den wand een plankje, dat men kon neerslaan en dat dan eene tafel vormde en tegen den aangrenzenden wand eene andere plank, welke, neergeslagen, als stoel kon worden gebruikt. Een rond gat, dat met een glas kon worden afgesloten, diende om lucht en licht te geven aan deze kamer.

Nooit had ik zoo iets aardigs en nets gezien. Alles was van eikenhout en vernist en op den grond lag een verlakt zeildoek met witte en zwarte ruiten.

Maar niet mijn oogen alleen genoten hier. Toen ik mij had uitgekleed en op het bed neergevlijd, ondervond ik een gevoel, dat geheel nieuw voor mij was. Voor de eerste maal streelden de lakens mijn huid in plaats van ze open te rijten. Bij vrouw Barberin sliep ik in ruwe lakens van hennep gesponnen; met Vitalis heb ik gewoonlijk stroo of hooi onder mij, maar geen dek op me en wanneer we dit al eens in de logementen kregen, gebruikten wij ze wel zoo lief niet. Wat waren die, waarin ik mij nu wikkelde, fijn en zacht! en wat riekten zij lekker! En die matras scheen wel dons in vergelijking met de dennenaalden, waarop ik den vorigen nacht doorgebracht had.

De stilte van den nacht had niets meer dat mij vrees aanjoeg; de duisternis was niet meer met schimmen bevolkt en de sterren, die ik door het ronde venster zag, spraken mij slechts woorden in van moed en hoop.

Hoe lekker ik ook in mijn bedje lag, ik stond den anderen morgen reeds tijdig op, want ik was ongerust, hoe mijne acteurs den nacht doorgebracht hadden. Ik vond mijn gansche troepje waar ik het den vorigen avond had doen nederliggen en allen sliepen zoo gerust, of zij reeds maanden op het schip hadden gewoond. Bij mijne nadering werden de honden wakker en kwamen vroolijk naar mij toe om mij goeden morgen te wenschen. Alleen Joli-Coeur verroerde zich niet; hij had wel het eene oog open, maar hij begon te snorken als een trombône.

Men behoefde niet lang te gissen, om te begrijpen wat dit te beteekenen had. Joli-Coeur was zeer lichtgeraakt en werd spoedig boos, en als hij eenmaal boos was, kwam hij niet zoo gauw weer in zijn humeur. In dit geval was hij beleedigd, dat ik hem niet medegenomen had naar mijne kamer en hij toonde zijne ontevredenheid door zich te houden of hij sliep.

Ik kon hem de reden niet duidelijk maken, die mij tot mijne groote spijt genoopt hadden hem op dek te laten en daar ik gevoelde, dat ik althans in schijn onrecht jegens hem gepleegd had, nam ik hem in mijn armen om hem door liefkoozingen mijn leedwezen te betuigen.

Eerst bleef hij uit zijn humeur, maar weldra, met de wispelturigheid hem eigen, dacht hij aan wat anders en gaf hij mij door gebaren te kennen, dat, wanneer ik met hem aan wal ging, hij mij misschien vergeven zou. De schipper, dien ik den vorigen dag aan het roer had zien staan, was reeds op en bezig het dek schoon te maken. Hij was zoo goed om een plank uit te leggen, waarover ik met mijn troepje aan wal ging.

Al spelend met mijn honden en Joli-Coeur, springend en loopend en in de boomen klimmend, ging de tijd spoedig voorbij en toen wij terugkwamen, stonden de paarden reeds aan de lijn gespannen en vastgemaakt aan een populier op het jaagpad. Een klap met de zweep was voldoende om hen te doen voortgaan. Spoedig waren wij in het schip en eenige oogenblikken later werd het touw, waaraan de boot gemeerd lag, losgemaakt; de schipper nam zijn plaats weder in aan het roer; de jager zette zich op een der paarden; het schip kraakte even en wij vervolgden weder onzen weg.

Hoe heerlijk is dat reizen in eene boot! De paarden stapten voort op het jaagpad en zonder dat wij eenige beweging gevoelden, gleden wij zachtkens over het water. De twee dichtbegroeide oevers spoedden ons voorbij en men hoorde geen ander gedruisch dan van het lekken van het water tegen het schip, dat zich vermengde met het rinkelen der schellen, die de paarden om den hals droegen. Wij gleden voorwaarts en op den oever zag ik de populieren, die in het malsche gras geworteld zich fier verhieven en wier nooit rustende bladeren trilden onder den zachten adem van den morgenwind. Hunne eindelooze reeks in rechte lijn langs den oever geplant, vormde een dicht groen gordijn, dat de schuinsche stralen der zon opving en slechts een door het gebladerte getemperd licht doorliet. Op sommige plaatsen was het water pikzwart, alsof het opborrelde uit onpeilbare diepten; elders daarentegen vormde het doorschijnende vakken, waaronder men de schitterende steenen en mosachtige planten zag.

Ik stond verdiept in eene aandachtige beschouwing, toen ik mijn naam achter mij hoorde uitspreken. Ik keerde mij om en zag Arthur, die op zijne plank bij mij gebracht was. Zijne moeder stond aan zijne zijde.

–Hebt ge goed geslapen? vroeg hij. Beter dan onder den blooten hemel?

Ik kwam naderbij en antwoordde, naar beleefde woorden zoekende, om zoowel Arthur als zijne moeder mijn dank te betuigen.

–En de honden? zeide hij.

Ik riep ze, evenals Joli-Coeur; zij kwamen bij ons en bogen en ook de aap maakte allerlei dwaze bewegingen. Allen schenen te verwachten, dat wij eene voorstelling zouden geven.

Maar dien morgen was er geen sprake van eene voorstelling. Mevrouw Milligan had haar zoon buiten de zon geplaatst en had zich naast hem neergezet.

–Wilt gij de honden en den aap wegbrengen? vroeg zij, dan kunnen wij gaan werken.

Ik deed wat zij verlangde en ging met mijn troepje naar den voorsteven.

Maar voor welken arbeid was die arme zieke knaap geschikt?

Ik zag, dat zijne moeder hem eene les overhoorde, en aandachtig in een boek volgde wat hij zeide. Op zijne plank uitgestrekt, zeide Arthur zijne les op, zonder eene enkele beweging te maken. Liever gezegd: hij trachtte zijne les op te zeggen, want hij haperde geweldig en bracht geen drie woorden vlot er uit, en dan nog vergiste hij zich dikwijls.

Zijne moeder verbeterde zijne fouten met zachtheid, maar toch met ernst.

–Gij kent uw fabel niet, zeide zij.

Het trof mij, dat eene moeder tot haar kind u zeide, want ik wist toen nog niet, dat dit in Engeland de gewoonte was.

–Ach moeder, sprak hij, op treurigen toon.

–Gij maakt vandaag veel meer fouten dan gisteren.

–Ik heb toch mijn best gedaan om te leeren.

–En gij hebt niet geleerd.

–Ik kon niet.

–Waarom niet?

–Ik weet het niet; omdat ik niet kon–ik ben ziek.

–Gij zijt niet ziek van hoofd. Ik zal nooit gedoogen, dat gij niets leert, en dat gij, onder voorwendsel, dat gij ziek zijt, in onkunde opgroeit.

Mevrouw Milligan scheen mij zeer streng toe, maar zij sprak toch zonder drift en met eene vriendelijke stem.

–Waarom doet gij mij zoo’n verdriet aan, door uw lessen niet te leeren?

–Ik kan niet, mama; ik verzeker u, dat ik niet kan. En Arthur begon te weenen.

Maar mevrouw Milligan liet zich door die tranen niet van haar stuk brengen, ofschoon zij aangedaan was en bedroefd, zooals zij zelve had gezegd.

–Ik had u vanmorgen met Rémi en de honden willen laten spelen, ging zij voort, maar gij moogt niet spelen vóór gij uw fabel zonder fouten opzegt.

Met die woorden gaf zij aan Arthur zijn boek en verwijderde zich eenige schreden alsof zij naar beneden wilde gaan, terwijl zij haar zoontje op zijne plank alleen liet liggen.

Hij snikte van ’t weenen en waar ik stond, kon ik duidelijk hooren hoe zijn stem hokte.

Hoe kon mevrouw Milligan zoo streng zijn voor haar armen kleinen jongen, dien zij zoo innig lief scheen te hebben? Als hij zijn les niet kon leeren, was het zijne schuld niet, maar de schuld van zijn ziekte zeker.

Zou zij dan heengaan zonder hem een vriendelijk woord toe te voegen? Maar zij ging niet heen; in plaats van in het benedengedeelte van het schip te verdwijnen, kwam zij bij haar zoontje terug.–Willen we het samen nog eens beproeven? vroeg zij.

–O ja, mama, zamen.

Toen ging zij bij hem zitten en nam het boek weder op en begon langzaam de fabel te lezen van “de wolf en het lammetje.” Arthur herhaalde elken volzin, woord voor woord. Toen hij dit driemaal gedaan had, gaf zij het boek aan Arthur en zeide, dat hij nu maar alleen verder moest leeren. Daarop ging zij naar beneden.

Arthur begon dadelijk te leeren en van de plaats, waar ik was blijven staan, kon ik duidelijk zijne lippen zien bewegen. Het scheen, dat hij met aandacht leerde. Maar die aandacht duurde niet lang. Weldra sloeg hij zijne oogen op; zijne lippen bewogen zich minder snel, en opeens zweeg hij geheel.

Hij las niet meer; hij herhaalde niet meer. Zijne oogen, die nu her- dan derwaarts dwaalden, ontmoetten de mijne. Met mijn hand wenkte ik hem, dat hij voort zou gaan met leeren.

Hij glimlachte vriendelijk, alsof hij mij wilde bedanken voor mijn waarschuwing en zijn oogen vestigden zich opnieuw op zijn boek. Maar weldra sloeg hij ze weder op en zij doolden van den eenen naar den anderen oever. Daar hij niet in de richting zag, waar ik mij bevond, stond ik op om zijne aandacht te trekken en wees hem toen op zijn boek.

Hij begon weder, half beschaamd, te lezen.

Ongelukkigerwijze schoot een oogenblik daarna een ijsvogel pijlsnel over het water, vlak voor het schip en liet als eene blauwe straal achter zich.

Arthur hief het hoofd op om hem te volgen.

Toen de vogel verdwenen was, vestigde hij zijn blik op mij.

Daarop sprak hij mij aan.

–Ik kan niet, zeide hij, en toch zou ik zoo gaarne.

Ik kwam bij hem.

–Die fabel is toch zoo moeilijk niet, zeide ik.

–O, dat is ze wel. Heel moeilijk.

–Ze scheen me zoo gemakkelijk, en toen ik ze uwe moeder hoorde voorlezen, dacht ik ze al te kennen.

Hij glimlachte ongeloovig.

–Wil ik ze eens voor u opzeggen?

–Maar dat is onmogelijk.

–Dat is volstrekt niet onmogelijk. Wil ik het eens probeeren? Neem het boek maar.

Hij nam het boek en ik begon het vers op te zeggen. Slechts een paar maal behoefde hij mij te helpen.

–Maar hoe is ’t mogelijk, dat gij ze kent! riep hij verbaasd uit.

–Ik ken ze nog niet heel goed, maar nu geloof ik wel, dat ik ze zonder fouten zou kunnen opzeggen.

–Hoe hebt gij ze dan geleerd?

–Ik heb ze uw mama hooren voorlezen, maar ik heb aandachtig geluisterd, zonder te letten op hetgeen er om mij gebeurde.

Hij bloosde en wendde het gelaat af. Na een oogenblik van schaamte, vervolgde hij:

–Ik begrijp hoe gij geluisterd hebt, en ik zal trachten te luisteren zooals gij. Maar hoe hebt gij het toch aangelegd, om al die woorden uit elkaar te houden, die in mijn geheugen zich met elkander verwarren.

Hoe ik dat had aangelegd wist ik zelf niet juist; want ik had er niet over nagedacht. Toch trachtte ik het hem uit te leggen en daardoor tevens mijzelven rekenschap ervan te geven.

–Waarover loopt eigenlijk die fabel? vroeg ik. Over een lammetje? Nu begon ik te denken aan lammeren. Dan denk ik aan hetgeen zij doen. “De lammetjes waren zoo veilig in ’t park.” Ik zie die lammeren neergevlijd en slapend in hun park, omdat zij daar veilig zijn, en nu ik ze eens gezien heb, vergeet ik ze niet meer.

–O ja, zeide hij; nu zie ik ze ook. “De lammetjes waren zoo veilig in ’t park.” Ik zie witte en zwarte; ik zie ook de schapen en het park zelf. Het zijn elzeboomen.

–Dus zult gij ’t niet meer vergeten?

–O, neen.

–Wie waakt er gewoonlijk over de schapen!

–Honden.

–Als ze niet op de schapen behoeven te passen, omdat deze veilig zijn, wat doen dan de honden?

–Dan hebben ze niets te doen.

–Dus kunnen zij slapen. Daarom zegt de fabel: “De honden sliepen.”

–O ja, nu wordt het gemakkelijk.

–Niet waar? ’t Is heel gemakkelijk. Nu denken wij aan iets anders. Wie bewaken de schapen nog meer dan de honden?

–Een herder.

–Als de schapen veilig zijn en de herder niets te doen heeft, waar brengt hij dan zijn tijd mee door?

–Met op de fluit te spelen.

–Ziet ge hem?

–Ja.

–Waar is hij?

–Onder de schaduw van een grooten olmboom.

–Is hij alleen?

–Neen, met andere herders uit den omtrek.

–Welnu, als gij de schapen ziet, het park, de honden, den herder, kunt gij dan niet zonder fouten het begin van uw fabel opzeggen?

–Dat geloof ik ook.

–Probeer het eens.

Toen hij mij zoo hoorde praten en hem uitleggen hoe hij gemakkelijk eene les kon leeren, die hem eerst zoo moeilijk toescheen, zag Arthur mij met ontzag en zelfs eenigszins vreesachtig aan, alsof hij nog niet overtuigd was van de waarheid van hetgeen ik zeide. Na eenige oogenblikken van aarzeling, was hij echter gereed.

–De lammetjes waren zoo veilig in ’t park; de honden sliepen en de herder, onder de schaduw van een grooten olmboom, speelde op de fluit met andere herders uit de buurt.

Toen klapte hij in de handen.

–Maar ik ken ze! riep hij; ik heb geen enkele fout gemaakt.

–Wilt gij het overige gedeelte van de fabel op dezelfde wijze leeren?

–O, met u ben ik zeker, dat ik ze zal kennen. Wat zal mama in haar schik zijn.

En hij leerde de rest van de fabel, zooals hij het eerste gedeelte geleerd had. In minder dan een kwartier kende hij ze letterlijk en hij was juist bezig om ze op te zeggen, toen zijn moeder bij ons kwam.

Eerst keek zij een weinig knorrig, dat zij ons bij elkander zag, want zij dacht, dat wij samen speelden, maar Arthur liet haar den tijd niet een woord te zeggen.

–Ik ken ze! riep hij, en hij heeft ze mij geleerd.

Mevrouw Milligan zag me eenigszins verwonderd aan, en zij zou mij zeker iets gevraagd hebben, toen Arthur, zonder dat zij het hem vroeg, de fabel van “de wolf en het lammetje” begon op te zeggen. Hij deed dit opgewonden en vroolijk, zonder een oogenblik te haperen en zonder een enkele fout.

Onderdehand keek ik mevrouw Milligan aan; ik zag een glimlach op haar schoon gelaat, en toen meende ik hare oogen vochtig te zien worden, maar daar zij op dat oogenblik zich over haar zoon heenboog en hem teeder met beide armen omhelsde, kon ik niet zien of zij weende.

–Die woorden, och! zeide Arthur, die beteekenen niets; men moet de dingen zien en Rémi heeft mij den herder laten zien met zijne fluit. Als ik onder het leeren de oogen opsloeg, dacht ik niet meer aan ’t geen om mij was; ik zag de fluit van den herder en hoorde wat hij speelde. Wil ik u eens voorzingen wat hij speelde, mama?

En hij zong in het engelsch een droefgeestig lied.

Nu weende mevrouw Milligan bepaald, en toen zij zich ophief, zag ik hare tranen op de wangen van haar kind. Toen kwam ze bij mij, nam mijne hand en drukte die zoo innig, dat ik ervan ontroerde.

–Gij zijt een goede jongen, zeide zij.

Als ik deze kleine geschiedenis wat uitvoerig verteld heb, is het om de verandering te doen begrijpen, die van dat oogenblik af in mijn toestand plaats had. Den vorigen dag had men mij aangezien voor een knaap, die honden kunstjes liet maken en voor niets deugde als om met zijn dieren den menschen een oogenblik van vermaak te bezorgen en nu juist van pas kwam, om een ziek kind wat afleiding te geven; maar deze les scheidde mij geheel van mijn honden en mijn aap; ik werd een makker, bijna een vriend.

Ik moet hier al dadelijk bijvoegen, wat ik eerst later vernam, dat mevrouw Milligan zeer verdrietig was, dat haar zoon niet leerde of liever niet kon leeren. Al was hij ziek, zij wilde dat hij werken zou, en juist omdat die ziekte van langen duur kon wezen, wilde zij van nu af aan zijn geest de vorming geven, die hem in de gelegenheid stelde om, als hij genezen zou zijn, zijne schade in te halen.

Tot hiertoe was zij daarin niet geslaagd; al had Arthur geen tegenzin in het werken, hij had geen aandacht en vlijtig was hij ook niet. Zonder tegenstand nam hij het boek, dat men hem in de handen gaf, en hij nam het zelfs gretig aan, maar al deed hij zijn boek open, zijn geest opende zich niet, en slechts werktuigelijk herhaalde hij, zoo goed of zoo kwaad als ’t ging, de woorden, die men met moeite hem inpompte.

Dit deed zijne moeder innig verdriet en zij werd er bijna wanhopend onder. Maar zooveel te blijder was zij, toen zij hem de fabel hoorde opzeggen, die hij in een half uur van mij geleerd had, en die zij verscheidene dagen lang vruchteloos getracht had hem te doen onthouden.

Als ik nu aan de dagen denk op de boot doorgebracht met mevrouw Milligan en Arthur, komen zij mij nog voor de gelukkigste van mijne jeugd te zijn geweest.

Arthur had eene innige genegenheid voor mij opgevat, en van mijne zijde gaf ik toe, zonder erover na te denken, aan hunne sympathie en beschouwde hem als mijn broeder. Nooit hadden wij den geringsten twist; van zijne zijde gaf hij nooit eenig blijk, dat hij zich boven mij verheven achtte, en ik was nooit verlegen voor hem; ik dacht er zelfs niet aan, dat ik verlegen kon zijn.

Dit lag waarschijnlijk aan mijn jaren, aan mijne onbekendheid met het maatschappelijk leven, maar zeker nog veel meer aan de kieschheid en goedhartigheid van mevrouw Milligan, die mij vaak toesprak, of ik haar kind was.

En dan die reis in eene boot was voor mij zoo rijk aan allerlei vreemde dingen. Geen oogenblik verveelde ik mij of voelde ik mij vermoeid. Van den morgen tot den avond konden wij onzen tijd besteden.

Sedert men spoorwegen heeft aangelegd, reist men niet meer door het Zuiderkanaal; men kent het zelfs niet meer; toch is het een der merkwaardigheden van Frankrijk. Het is een van de meest belangrijke gedeelten van ’t land, dat het doorsnijdt en van de mooiste tevens. Als wij een van de schoonste partijen bereikt hadden, legden wij maar enkele mijlen per dag af; was daarentegen de streek eentonig, dan vorderden wij wat sneller.

De weg zelf besliste of wij zouden blijven of verder gaan. Geen van die lastige bemoeiingen, waarmede andere reizigers zich bezig hebben te houden, werden van ons gevergd. Wij hadden geen lange dagreizen te maken om een geschikt logement te vinden, waar wij zeker zouden zijn een goede tafel en een goed logies te bekomen.

Op de daarvoor vastgestelde uren werd de tafel voor ons aangericht onder de verandah, en terwijl wij van den maaltijd gebruik maakten, volgden wij kalm de oevers die voor ons voorbijschoven. Als de zon onderging, hielden wij stil waar de duisternis inviel, en wij bleven daar tot het weer dag werd.

Daar wij altijd thuis waren, kenden wij die eindelooze, vervelende avonduren niet, welke den reiziger zoo zwaar vallen. Die avonduren waren integendeel voor ons nog te kort, en de tijd om ons ter ruste te begeven overviel ons vóór dat wij nog aan slapen dachten.

Als de boot stillag en het koud was, bleven wij in het salon, waar een vuurtje werd aangelegd om het vocht en de nachtlucht te verdrijven, die voor een zieke zoo nadeelig zijn. Er werden lampen ontstoken en Arthur werd bij de tafel geschoven; ik ging bij hem zitten en mevrouw Milligan liet ons boeken met platen of photographieën zien. Evenals het schip, waarop wij waren, ingericht was voor dezen bijzonderen tocht, zoo waren ook de boeken en platen met het oog op de reis gekozen. Waren wij moe van het kijken, dan las mevrouw er het een en ander uit voor, dat wij begrijpen konden en dat ons belang inboezemde. Soms bergde zij ook de platen weg en sloot de boeken en verhaalde ons de legenden, de gebeurtenissen die plaatsgevonden hadden in de streken, waar wij ons bevonden. Onder het vertellen keek zij haar zoontje steeds aan en het was aandoenlijk te zien, zooveel moeite zij zich gaf om zóó te vertellen, dat hij haar volkomen begreep.

Wat mij betreft, als het mooi weer was, had ik ook mijne taak. Dan nam ik mijn harp, ging aan land en op eenigen afstand zette ik mij onder een boom, waarvan de schaduw mij verborg en zong en speelde dan alle liederen, die ik kende. Voor Arthur was het een groot genot in de stilte van den nacht muziek te hooren, zonder te zien wie speelde. Dikwijls riep hij: “nog eens!” en dan speelde of zong ik het lied ten tweedemale.

Dat was een kalm en gelukkig leven voor een knaap als ik, die de hut van vrouw Barberin verlaten had om rond te zwerven met signor Vitalis. Welk een verschil tusschen den schotel aardappelen met zout van mijn arme pleegmoeder en de heerlijke vruchtentaarten, de geleien en de pasteitjes uit de keuken van mevrouw Milligan. Welk een onderscheid tusschen de lange tochten te voet, door slijk en in den regen, of onder een verzengende zon achter mijn meester, en deze spelevaart door de kalme wateren.

Maar om mijzelven recht te doen wedervaren moet ik erkennen, dat ik nog gevoeliger was voor het zedelijk genot van dit nieuwe leven dan voor de stoffelijke voordeelen, die het mij gaf.

Ja, zij waren lekker, die pasteitjes van mevrouw Milligan; het was een genot geen honger meer te hebben of niet meer te lijden van koude en hitte, maar hoeveel beter en aangenamer waren voor mij die gedachten en gevoelens, die mijn hart troffen en vervulden. Tot twee malen toe had ik de banden zien verbreken, welke mij hechtten aan hen, die ik liefhad; de eerste maal toen ik aan vrouw Barberin werd ontrukt; de tweede maal toen ik gescheiden werd van Vitalis; tot tweemaal toe had ik alleen gestaan op de wereld, zonder steun, zonder hulp, met mijn dieren tot eenige vrienden en levensgezellen.

En nu had ik in mijne verlatenheid en mijn wanhopenden toestand iemand gevonden, die mij liefde had betoond en die ik lief kon hebben: eene vrouw, eene schoone, aanzienlijke dame, zacht, minzaam en teeder, een knaap van mijn leeftijd, die mij behandelde alsof ik zijn broeder was.

Welk een genot, welk een geluk voor een hart als het mijne, dat zooveel behoefte had aan liefde. Als ik Arthur aanzag, die bleek en roerloos op zijne plank lag uitgestrekt, hoe dikwijls had ik hem dan zijn geluk benijd, ik, die zoo gezond en sterk was. Niet de weelde, waarin hij leefde, benijdde ik hem, zijn boeken, noch zijn fraai speelgoed, noch zijn schip, maar de liefde, die zijn moeder hem betoonde. Wat moest hij gelukkig zijn zóó bemind te worden, tien-, twintigmaal een kus te krijgen van die schoone dame en zelf een kus te mogen geven aan die edele vrouw, wier hand ik nauwlijks durfde aanraken als ze mij die toestak.

En dan zeide ik treurig tot mijzelven, dat ik nooit eene moeder zou hebben, die mij zou kussen en die ik zou mogen kussen. Misschien zou ik nog eens mijne pleegmoeder, vrouw Barberin, terugzien, en dan zou ik mij gelukkig achten, maar dan zou ik haar niet meer moeder kunnen noemen, want ik wist nu, dat zij mijne moeder niet was.

Alleen! Altijd zou ik alleen zijn op de wereld!

Die gedachte deed mij dan ook zooveel te hooger het genot waarderen dat ik smaakte, als mevrouw Milligan en Arthur mij vriendelijk behandelden.

Ik mocht niet te veel vergen voor mijn geluk, en daar ik nooit eene moeder, een broer of familie op de wereld zou bezitten, moest ik al tevreden zijn, als ik vrienden vond.

Ik moest gelukkig zijn en dit was ik ook volkomen.

Nochtans, hoe aangenaam voor mij dit nieuwe leven ook was, weldra moest ik er mede breken en tot mijn vroeger bestaan terugkeeren.

XIII.

DE VONDELING.

Gedurende deze reis was de tijd zeer snel omgegaan en de dag was bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten.

Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de gedachte daaraan voor mij kwellender.

Het was zoo heerlijk op een schip te zijn, zoo geheel zonder zorg of kommer; maar ik moest terugkeeren en den weg, dien ik op het water had afgelegd, moest ik te voet terugmaken.

Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben, geen melk drinken of taartjes eten en den avond nooit meer in zulk een gezelligen kring doorbrengen.

Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen verliezen, evenals ik vrouw Barberin reeds verloren had. Zou ik dan altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk wreede wijze gescheiden worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen?

Ik moet bekennen, dat dit de eenige sombere gedachte was, die in deze gelukkige dagen bij mij opwelde.

Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou kunnen terugkeeren, want ik wilde gaarne voor de deur van de gevangenis staan, als mijn meester die zou verlaten.

Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te weenen.

–Rémi mag niet vertrekken! riep hij.

Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan mijn meester behoorde, aan wien mijn ouders mij verhuurd hadden en dat ik weder bij hem in dienst moest gaan, zoodra hij mij noodig had.

Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en mijn moeder niet waren, want dan zou ik tevens hebben moeten bekennen, dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemlijk veel geleden had, als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger wezens op deze wereld waren.

Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester, en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen, bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet met afkeer van zich hebben gestooten?

–Mama, gij moet Rémi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg, wat hij verlangde.

–Ik zou Rémi gaarne bij mij doen blijven, antwoordde mevrouw Milligan, gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats: wil Rémi bij ons blijven….

–O, Rémi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Rémi, gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeeren?

–Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft, afstand doen.

–Rémi, Rémi! in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.

Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik was hem ook oprecht dankbaar voor zijne lessen, maar er was geen vergelijking te maken tusschen het leven, dat ik bij hem leidde en dat, hetwelk mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk een vergelijking kunnen maken tusschen de genegenheid, welke ik voor Vitalis gevoelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij inboezemden.

Als ik daaraan dacht, dan zeide ik wel tot mezelf, dat het slecht van mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen, maar het was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

–Voordat Rémi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken, dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken met zijn vorige vrijheid.

–Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

–Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur, Rémi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik eens weigerde! en deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn, daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik niet denzelfden angst en in plaats dat ik een afkeer van boeken had, trokken zij mij veeleer aan. Wel is waar, had ik er nog niet veel gelezen, maar de boeken welke men mij gegeven had, hadden mij altijd meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus De Zwaan niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

–Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig, ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen terugkeeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi’s ouders eens te worden, want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen; het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt; maar deze laatste woorden brachten mij op een wreede wijze tot de werkelijkheid terug.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!

Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker, zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.

Ik stond als vastgenageld aan den grond.

Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik spreken zou, maar ik durfde hare vragen niet beantwoorden; toen meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van mijn meester mij zoo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.

Gelukkig vond dit gesprek ’s avonds plaats, weinige uren vóór dat wij ons te rust begaven; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en zorgen opsluiten.

Dat was mijn eerste slapelooze nacht, dien ik op De Zwaan doorbracht.

Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?

Ik vond geen uitkomst.

En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest tegenstrijdige denkbeelden elkander waren opgevolgd, kwam ik eindelijk tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn gewonen loop laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook gebeuren mocht.

Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de waarheid ook nooit bekend worden.

En zoozeer vreesde ik, dat de waarheid aan het licht zou komen, dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw Milligan niet aannemen zou.

Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan mij houden.

Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester, dat hij den daaropvolgenden Zaterdag met den trein van twee uur te Cette zou komen.

Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan en de honden en Joli-Coeur met mij mede te nemen, om onzen meester op te wachten.

De honden waren onrustig, alsof zij eenig vermoeden hadden van hetgeen gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.

Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.

De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onzen meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij sprongen op Vitalis toe en dezen zag ik eensklaps voor mij in zijn bekend gewaad. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce klauterden tegen zijn beenen op.

Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op den grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:

Buon di, povero caro!

Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen stonden in mijn oogen, want ik was in een toestand, waarin het hart zich spoedig ontsluit.

Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd was; hij ging lang zoo recht niet meer; zijn houding was gebogen, de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.

–Gij vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een ongezond verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal wel overgaan.

Hij veranderde toen plotseling van onderwerp en vroeg:

–Hoe hebt gij die dame leeren kennen, die mij geschreven heeft?

Toen vertelde ik hem mijne ontmoeting met De Zwaan en hoe ik sedert dien tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en gedaan hadden. Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zooveel angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.

Maar ik behoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak mij bovendien in het geheel niet van den brief, dien hij had ontvangen, evenmin als van het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.

–En die dame wacht mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.

–Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.

–Dat is onnoodig, zeg mij het nommer maar; dan kunt gij hier met Joli-Coeur en de honden op mij wachten.

Als mijn meester iets zeide, dan was ik niet gewoon hem tegen te spreken; toch waagde ik eene opmerking en verzocht hem opnieuw, hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist gehoorzaamd te worden.

Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig af en beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had zelfs nog geen antwoord daarop gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.

–Ga van deze dame afscheid nemen, zeide hij; ik wacht u hier, binnen tien minuten zijn wij vertrokken.

Ik was buiten mezelf van schrik.

–Welnu, hervatte hij na een oogenblik, begrijpt gij mij niet? Gij blijft daar staan, alsof ge stom zijt: haast u!

Het was zijn gewoonte niet om mij op zulk een harden toon toe te spreken, en zoolang ik bij hem was, had hij nog nooit zoo iets tegen mij gezegd.

Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te gehoorzamen.

Maar toen ik eenige schreden gedaan had, vroeg ik hem:

–Gij hebt dus gezegd….

–Ik heb gezegd, dat gij mij van dienst waart en dat ik u van het hoogste nut was; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten afstand te doen; ga en kom spoedig terug.

Dat gaf mij weder eenigen moed, want ik verkeerde geheel-en-al onder den invloed van het besef een vondeling te zijn en verbeeldde mij, dat, indien wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, het was omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.

Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen badende, terwijl mevrouw Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.

–Gij gaat immers niet vertrekken, Rémi! riep Arthur uit.

Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijne plaats en vertelde hem, dat ik gehoorzamen moest.

–Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zeide zij, op een toon, die mij de tranen in de oogen deed komen, maar hij wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit kunnen afbrengen.

–Het is een slechte man! riep Arthur.

–Neen, het is geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren, zeide hij: “ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij, ondanks u zelve, bij u verkeert. Gij zoudt hem laten leeren en een rijke opvoeding geven, dat is waar; gij zoudt zijn geest vormen, maar niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet wezen; hij zal de mijne zijn; dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw ziek kind is, en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, zal ik hem toch een opvoeding weten te geven.”

–Maar hij is toch de vader niet van Rémi! riep Arthur.

–Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is zijn meester en Rémi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd hebben. Voor het oogenblik moet Rémi hem gehoorzamen.

–Rémi mag niet vertrekken.

–Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korten tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel in orde brengen.

–O, neen! riep ik uit.

–Wat, niet?

–O, neen, als het u belieft, niet!

–Dat is toch het eenige middel, mijn jongen.

–Och, doe dat niet!

Zeker zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan tien minuten, zoo mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had.

–Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.

Zonder haar te antwoorden, trad ik naar Arthur toe en hem in mijn armen nemende, kuste ik hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen uit zijn omhelzing los en mij naar zijn moeder keerende knielde ik voor haar neder en drukte een kus op haar hand.

–Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog en ook zij gaf mij een kus op het voorhoofd.

Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.

–Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zeide ik snikkend, en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.

–Rémi! Rémi! steunde Arthur.

Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter mij gesloten.

Een oogenblik later stond ik naast mijn meester.

–En nu vooruit! zeide hij.

Wij verlieten Cette en sloegen den weg naar Frontignan in.

Zoo verliet ik mijn eersten vriend en tal van lotgevallen werden mijn deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel ware geweest en mij niet door een dwaze vrees had laten beheerschen.

Advertenties

Een Reactie op “Vitalis voor de rechter, Rémi gaat op een schip, krijgt een eerste vriend en moet afscheid nemen

  1. Pingback: Dag 8 t/m 13: Bordeaux, Toulouse, langs het kanaal en we bereiken de zee! | Alleen op de wereld op de fiets / Sans famille en vélo·

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s